Sluitertijd voor elke flitsinstelling
Flitsinstelling
q
@
t
`
De sluitertijd is afhankelijk van de [STABILISATIE]-instelling (P92).
1
Als [GEVOELIGHEID]
2
•
: De sluitertijd wordt maximaal 1 seconde in de volgende gevallen.
1 2
– Als de optische beeldstabilisator ingesteld is op [OFF].
– Als de camera heeft geconstateerd dat er weinig golfbeweging is wanneer de optische
beeldstabilisator ingesteld is op [MODE1], [MODE2] of [AUTO].
• Bij gebruik van de intelligente automatische functie is de sluitertijd afhankelijk van de
geïdentificeerde scène.
• Bij gebruik van de scènefunctie zal de sluitertijd verschillen van die in de bovenstaande
tabel.
Opmerking
• Als u de flitser te dicht bij een voorwerp brengt, wordt het voorwerp mogelijk vervormd
of verkleurd door de hitte of het licht van de flits.
• Als u een opname maakt buiten het flitsbereik, wordt het onderwerp mogelijk verkeerd
belicht en kan de opname te donker of te licht zijn.
• Wanneer de flitser wordt opgeladen, knippert het flitspictogram in een rode kleur en kunt
u geen opname maken, zelfs niet wanneer u de ontspanknop helemaal indrukt.
• De witbalans wordt mogelijk niet goed ingesteld als het flitsniveau niet toereikend is voor
het onderwerp.
• Bij een snelle sluitertijd is het flitseffect mogelijk niet toereikend.
• Het kan even duren om de flitser op te laden als u opnieuw een opname wilt maken.
Maak de opname nadat de geheugenaanduiding is verdwenen.
• Het effect van rode-ogenreductie verschilt tussen mensen. Als het onderwerp ver van de
camera stond of niet naar de eerste flits keek, is het effect mogelijk niet aanwezig.
Gevorderd (Opnamen maken)
Sluitertijd (Sec.)
1/30 t/m 1/1600
(P85)
is ingesteld op [,].
Flitsinstelling
[
o
- 54 -
Sluitertijd (Sec.)
1 of 1/8 t/m 1/1600
1 of 1/4 t/m 1/1600
1
2