6 - BESTURINGSSYSTEEM BEDIENING
6.7.2 - Setpuntverstelling
Setpuntverstelling betekent dat het actieve setpoint wordt
aangepast zodat minder machinecapaciteit benodigd is. In het
koeling-bedrijfstype wordt het setpoint verhoogd terwijl dit in het
verwarmingsbedrijfstype wordt verlaagd.
De Setpoint verstelling kan gebaseerd zijn op de volgende
mogelijkheden:
■ BLT (buitenluchttemperatuur) wat een indicatie geeft voor de
belastingstrends voor het gebouw.
■ Retourwatertemperatuur (deze ΔT is een indicatie voor de
gemiddelde gebouwbelasting).
■ Ruimtetemperatuur (EMM-optie)
■ Toegewezen 4-20 mA-ingang (EMM-optie)
De methode voor setpoint verstelling en de betreffende parameters
kunnen worden geconfigureerd in het Hoofdmenu (RESETCFG –
Resetconfiguratie). Door de setpoint verstelling zal het koel setpoint
gewoonlijk omhoog versteld worden (hogere gekoeldwater
uittredetemperatuur) waardoor het rendement van de machine
verbeterd.
De mate van verstelling wordt bepaald door lineaire interpolatie
op basis van de volgende parameters:
■ Een referentie waarbij de verstelling nul is (geen setpoint
verstelling).
■ Een referentiewaarbij de verstelling maximaal is (max. setpoint
verstelling).
■ De maximale verstelling.
Setpuntverstelling voorbeeld in koelingsbedrijf:
20
Verstelling gebaseerd op BLT
0
Verstelling gebaseerd op delta T
Verstelling gebaseerd op analoge
4
no_
verstelling
Verklaring
A:
Waarde maximale verstelling
B:
Referentie voor nul verstelling
C:
Referentie voor maximum verstelling
D:
Gebouwbelasting
48
ingang
full_
Selectie
verstelling
6.8 - Capaciteitsbegrenzing
Met SmartVu
TM
geregeld worden door de maximum toelaatbare capaciteit ervan
in te stellen.
Capaciteitsbegrenzing wordt uitgedrukt in procenten, waarbij een
m a x i m u m w a a r d e v a n 1 0 0 % b e t e k e n t d a t e r g e e n
capaciteitsbegrenzing toegepast is.
De capaciteit van de eenheid kan worden beperkt:
■ Door gebruiker gestuurde potentiaalvrije contacten. Apparaten
zonder de energiebeheermodule hebben één contact.
Eenheden met de Energie Management Module hebben drie
capaciteitsbegrenzingsniveaus (zie ook hoofdstuk 3.9.3).
De capaciteit van het apparaat kan nooit hoger worden dan het
begrenzingssetpoint dat door deze contacten wordt geactiveerd.
De begrenzing-setpoints kunnen worden aangepast in het
SETPOINT-menu.
■ Met de door het master apparaat ingestelde vertragingslimiet
(master/slave-opstelling). Als de eenheid niet in master/slave
opstelling staat, is de lag-grenswaarde 100%.
■ Door capaciteitsbegrenzing tijdens nachtbedrijf. De grenswaarde
tijdens nachtbedrijf is instelbaar als de waarde onder de
geselecteerde limiet is.
Begrenzingssetpunts instellen
1. Ga naar het hoofdmenu.
2. Selecteer Setpoint Configuration (SETPOINT) (Setpoint
configuratie).
3. Stel Switch Limit Setpoint 1 / 2 / 3 [lim_sp1 / 2 / 3] in.
Switch Limit Setpunt 1 / 2 / 3 [lim_sp1 /2/ 3] (Schakel
limietsetpunt)
0 tot 100%
100%
Door master-eenheid ingestelde lag-limiet controleren
1. Ga naar het hoofdmenu.
2. Selecteer General Parameters (GENUNIT) (Algemene
parameters).
3. Controleer Lag Capacity Limit Value [LAG_LIM] (Lag-capaciteit
limietwaarde).
Lag Capacity Limit Value [LAG_LIM] (Lag-capaciteit limietwaarde)
0 tot 100%
100%
Nachtbedrijf limiet instellen
1. Ga naar het configuratiemenu.
2. Selecteer General Configuration(GENCONF) (Algemene
25
configuratie).
3
3. Stel Night Capacity Limit [nh_limit] (Nachtcapaciteit limiet) in.
20
Night Capacity Limit [nh_limit] (Nachtcapaciteit limiet)
0 tot 100%
100%
Afhankelijk van de bron van de setpoint limiet wordt de waarde
van de actieve capaciteitsbegrenzing (DEM_LIM) ingesteld op de
laagste waarde.
DEM_LIM kan worden overschreven door het netwerk.
Actieve capaciteitsbegrenzing controleren
1. Ga naar het hoofdmenu.
2. Selecteer General Parameters (GENUNIT) (Algemene
parameters).
3. Controleer Active Demand Limit Val [DEM_LIM] (Actieve
capaciteitsbegrenzing).
Active Demand Limit Val [DEM_LIM] (Actieve
capaciteitsbegrenzing)
0 tot 100%
-
kan de capaciteit van de eenheid voortdurend