Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Nikon D4s Gebruikshandleiding pagina 424

Inhoudsopgave
4 Kan niet worden gebruikt bij verschuiven of kantelen.
5 Bij het verschuiven en/of kantelen van het objectief of wanneer niet het maximale
diafragma wordt gebruikt, functioneren de systemen voor lichtmeting en
flitserregeling van de camera mogelijk niet correct.
6 Alleen in de stand voor handmatige belichting.
7 Kan alleen worden gebruikt bij AF-S- en AF-I-objectieven (0 404). Zie pagina 404
voor informatie over de beschikbare scherpstelpunten voor autofocus en
elektronisch afstand meten.
8 Bij het scherpstellen op de kortste scherpstelafstand met een AF 80–200mm f/2.8, AF
35–70mm f/2.8, AF 28–85mm f/3.5–4.5 <Nieuw> of AF 28–85mm f/3.5–4.5 objectief
op maximale zoom wordt de scherpstelindicator mogelijk weergegeven wanneer
het beeld op een mat scherm in de zoeker niet scherp in beeld is. Stel handmatig
scherp tot het beeld in de zoeker scherp is.
9 Bij maximaal diafragma van f/5.6 of hoger.
10 Sommige objectieven kunnen niet worden gebruikt (zie pagina 405).
11 Het rotatiebereik voor de AI 80–200mm f/2.8ED wordt bij bevestiging op een statief
beperkt door de camerabody. Filters kunnen niet worden verwisseld terwijl de AI
200–400mm f/4ED op de camera is bevestigd.
12 Als het maximale diafragma wordt opgegeven via Objectief zonder CPU (0 235),
wordt de diafragmawaarde weergegeven in de zoeker en in het bovenste
bedieningspaneel.
13 Kan alleen worden gebruikt als de brandpuntsafstand en het maximaal diafragma
zijn opgegeven met behulp van Objectief zonder CPU (0 235). Gebruik spotmeting
of centrumgerichte meting als de gewenste resultaten niet worden bereikt.
14 Voor een grotere nauwkeurigheid stelt u de brandpuntsafstand en het maximaal
diafragma in met behulp van Objectief zonder CPU (0 235).
15 Kan worden gebruikt in de handmatige belichtingsstanden bij sluitertijden die ten
minste één stap langer zijn dan de flitssynchronisatietijd.
16 Belichting wordt bepaald door het diafragma van het objectief vooraf in te stellen. In
de automatische belichtingsstand met diafragmavoorkeuze moet het diafragma
vooraf worden ingesteld met behulp van de diafragmaring voordat AE-
vergrendeling en verschuiven van het objectief wordt uitgevoerd. In de handmatige
belichtingsstand moet u het diafragma vooraf instellen met de diafragmaring en de
belichting bepalen vóór het verschuiven van het objectief.
17 Belichtingscorrectie is vereist bij gebruik in combinatie met AI 28–85mm f/3.5–4.5, AI
35–105mm f/3.5–4.5, AI 35–135mm f/3.5–4.5 of AF-S 80–200mm f/2.8D.
18 Bij maximaal effectief diafragma van f/5.6 of korter.
19 Vereist automatische tussenring PK-12 of PK-13. Afhankelijk van de oriëntatie van de
camera is mogelijk de PB-6D vereist.
20 Gebruik een vooraf ingesteld diafragma. In de automatische belichtingsstand met
diafragmavoorkeuze moet u het diafragma instellen met het balgapparaat alvorens
de belichting te bepalen en de foto te maken.
• Voor de repro-unit PF-4 is de camerahouder PA-4 vereist.
• Tijdens autofocus bij hoge ISO-gevoeligheden kan er ruis in de vorm van lijnen
verschijnen. Gebruik handmatige scherpstelling of scherpstelvergrendeling. Bij hoge
ISO-gevoeligheden kunnen er tevens lijnen verschijnen wanneer diafragma wordt
aangepast tijdens filmopname of livebeeldfotografie.
n
402
Inhoudsopgave
loading

Inhoudsopgave