U kunt voor bewegende beelden de belichting instellen binnen een bereik van −2,0 EV tot
+2,0 EV.
Als u een onderwerp opneemt in uiterst heldere of donkere omstandigheden, of wanneer u
de flitser gebruikt, kunt u mogelijk geen bevredigend resultaat bereiken.
Alleen een waarde tussen –2,0 EV en +2,0 EV wordt tijdens het opnemen op het scherm
afgebeeld met de daarbij behorende helderheid van het beeld. Als u een belichting instelt die
buiten dit bereik valt, is dit effect op de helderheid niet zichtbaar op het scherm, maar is dit
wel zichtbaar in het opgenomen beeld.
Als u [Handm. belichting] gebruikt, kunt u de belichting alleen compenseren als [ISO] is
ingesteld op [ISO AUTO].
Hoe te gebruiken
Lichtmeetfunctie
Selecteert de lichtmeetfunctie die instelt welk deel van het scherm moet worden gemeten voor
het bepalen van de belichting.
1. MENU →
Menu-onderdelen
Multi (standaardinstelling):
Na opdeling van het totale scherm in meerdere gebieden wordt het licht op elk gebied gemeten,
en zo wordt de juiste belichting van het hele scherm bepaald (Multi-patroonmeting).
Midden:
Meet de gemiddelde helderheid van het hele scherm, terwijl de nadruk ligt op het
middengedeelte van het scherm (Middengewogen meting).
Spot:
Meet alleen het middengedeelte (Spotmeting). Deze functie is nuttig wanneer het onderwerp
van achteren wordt belicht of wanneer er een sterk contrast is tussen het onderwerp en de
achtergrond.
Opmerking
[Multi] wordt geselecteerd bij gebruik van de volgende functies:
[Slim automatisch]
[Superieur automat.]
[Scènekeuze]
Alle zoomfuncties, behalve optische zoom
De opnamefuncties gebruiken
(Camera- instellingen) → [Lichtmeetfunctie] → gewenste instelling.
Belichting instellen