Stel met <Brightness> de helderheid en met <Contrast> het contrast in.
(Zie <Brightness>, <Contrast>)
De helderheid van het scherm kan variëren, afhankelijk van de ingestelde modus bij <
Als <
Bright> is ingesteld op <Dynamic Contrast>, kan de helderheid van het scherm variëren afhankelijk van het invoer-
signaal.
Hebt u aanpassen van het scherm geannuleerd?
DE KLEUREN ZIJN VREEMD / HET BEELD WORDT ZWART-WIT WEERGEGEVEN
Wordt het hele scherm weergegeven in dezelfde kleur alsof u
ernaar kijkt door gekleurd papier?
Is de grafische kaart correct geconfigureerd?
HET WEERGAVEGEBIED SPRINGT PLOTSELING NAAR EEN HOEK OF NAAR HET MIDDEN.
Hebt u de grafische kaart of een stuurprogramma gewijzigd?
Hebt u de juiste resolutie en frequentie voor het product inge-
steld?
Is de grafische kaart correct geconfigureerd?
Hebt u de juiste resolutie en frequentie voor het product inge-
steld?
5-2
HET BEELD IS TE LICHT OF TE DONKER.
HET SCHERMMENU (OSD) VERSCHIJNT NIET.
Controleer of de functie OSD-vergrendeling is uitgezet.
Controleer de kabelaansluiting met de computer.
Steek de grafische kaart opnieuw en helemaal in de compu-
ter.
Stel de grafische kaart in volgens de gebruiksaanwijzing.
Druk op de knop [AUTO] om de automatische locatiefunctie te
starten.
Stel de resolutie en de frequentie in op de juiste waarden op
de grafische kaart.
raadpleeg de (tabel Standaardsignaalmodi)
Stel de grafische kaart in volgens de gebruiksaanwijzing.
HET BEELD IS NIET SCHERP.
Stel de resolutie en de frequentie in op de juiste waarden op
de grafische kaart.
raadpleeg de (tabel Standaardsignaalmodi)
Angle>.
Problemen oplossen