4.7.2
Voorbereidingen
Zorg ervoor dat de betreffende cel spanningsloos is.
4.7.3
Montagevoorschrift
•
Draai, per kabelsteun (fig. 4.19G), de zeskant
tapbouten enkele slagen los zodat de kabelsteun in
diepte verstelbaar is.
Afhankelijk van de kabeldikte kan het
noodzakelijk zijn de kabelsteunen compleet te
demonteren.
•
Demonteer, per kabelsteun, de klemstrip (fig. 4.19F)
of maak deze aan één zijde los.
•
Plaats de achterste bodemplaat (fig. 4.19A).
•
Bevestig de bodemplaat aan weerszijden van het
frame met behulp van de flensbout (fig. 4.19C), de
getande waaierveerring (fig. 4.19D) en de moer
(fig. 4.19E).
•
Maak met behulp van een scherp mes enkele
sneden in het doorvoerrubber (fig. 4.20B).
•
Schuif het doorvoerrubber over de kabelmof
(fig. 4.20H).
•
Sluit de kabel aan op het aansluitcontact:
• Plaats de sluitring (fig. 4.20L) op het
aansluitcontact.
• Monteer de kabel met behulp van de sluitring
(fig. 4.20K), de waaierveerring (fig. 4.20J) en de
moer (fig. 4.20I).
•
Monteer de klemstrip (fig. 4.21F) weer op de
kabelsteun.
•
Fixeer de kabelsteun door de zeskant tapbouten aan
weerszijden vast te draaien.
•
Schuif het doorvoerrubber (fig. 4.21B) op de juiste
hoogte op de kabel.
•
Sluit de aardkabel (fig. 4.21M) met behulp van de
moer (fig. 4.21N) aan op de aardstrip.
•
Plaats de tweede bodemplaat (fig. 4.22A) in de cel,
zodanig dat het doorvoerrubber door de twee
bodemplaten wordt gefixeerd.
•
Bevestig de bodemplaat aan weerszijden aan het
frame met behulp van de flensbout (fig. 4.22C), de
getande waaierveerring (fig. 4.22D) en de moer
(fig. 4.22E).
NL010601
4-21