5.
Speel de akkoorden en de melodie op het
toetsenbord.
• Harmonie zal worden toegevoegd aan uw
melodienoten gebaseerd op de akkoorden die u speelt.
6.
Druk nogmaals op de R-18 (AUTO HARMONIZE/
ARPEGGIATOR) toets om de automatische
harmonisatie uit te schakelen.
• Hierdoor verdwijnt de aanwijzerindicator naast A.HAR.
Gebruiken van de ritme Editor
U kunt d.m.v. de ritme editor een ingebouwd automatische
begeleidingsritme wijzigen en zo zelf een origineel
"gebruikersritme" te creëren. U kunt een onderdeel (drum,
bas, enz.) selecteren van een normaal patroon, een
intropatroon of een ander patroon (pagina D-27) en het in- en
uitschakelen, het volumeniveau bijstellen en andere
bewerkingen uitvoeren.
Gebruikersritme nummers
De ritmegebieden F:001 - F:010 zijn voor het opslaan van
gebruikersritmes. U kunt maximaal 10 gebruikersritmes op elk
moment opgeslagen hebben in het geheugen. U kunt een
opgeslagen gebruikersritme oproepen door te drukken op de
L-8 ([F] USER RHYTHMS) toets. Voor meer informatie zie
"Spelen van een automatische begeleiding" (pagina D-24).
Creëren en opslaan van een gebruikersritme
1.
Selecteer het ritme dat u wilt bewerken om uw
eigen gebruikersritme te creëren.
2.
Druk op de C-4 (RHYTHM EDITOR) toets.
• Hierdoor wordt het ritmebewerkingsscherm getoond.
Instrumentonderdeel dat wordt bewerkt
Begeleidingspatroon dat wordt bewerkt
Ritmenummer en ritmenaam die toegewezen zijn aan het
instrumentonderdeel van het begeleidingspatroon dat wordt bewerkt
(Default: Nummer en naam geselecteerd in stap 1)
Gebruiken van automatische begeleiding
3.
Selecteer d.m.v. de toetsen L-12 (INTRO) - L-15
(SYNCHRO/ENDING) het begeleidingspatroon
dat u wilt bewerken. Als u bijvoorbeeld het intro
begeleidingspatroon wilt bewerken, druk dan
op de L-12 (INTRO) toets.
• Telkens bij indrukken van de L-13 (NORMAL/FILL-IN)
toets wordt heen en weer geschakeld tussen normaal
patroon en invulpatroon en telkens bij indrukken van de
L-14 (VARIATION/FILL-IN) toets wordt heen en weer
geschakeld tussen variatiepatroon en variatie
invulpatroon.
• De indicator voor het op dat moment geselecteerde
begeleidingspatroon knippert op de display.
Selecteren van dit
begeleidingspatroon:
Intro
Normaal
Normaal invulpatroon
Variatie
Variatie invulpatroon
Eindpatroon
4.
Druk op de R-17 (u, i) toetsen om het
instrumentonderdeel te selecteren dat u wilt
bewerken.
• De naam van het instrumentonderdeel dat u selecteert,
verschijnt op de display.
Selecteren van dit
instrumentonderdeel:
Slagwerk
Drums
Bas
Akkoord 1 tot en met
Akkoord 5
Hierdoor gaat deze
indicator knipperen:
E
F
F G
H
G H
J
Waardoor deze naam op de
display verschijnt:
PERC
DRUM
BASS
CHORD1 - CHORD5
D-29