1. Motor – Afzetten
2. Motor – Lopen
3. Motor – Starten
4. Stromingsverdeler
5. Vooruit
6. Achteruit
7. Schakel de aftakas in
8. Schakel de aftakas uit
9. Transmissie – Hoog
toerental
10. Transmissie – Laag toerental
106-0391
11. Vooruit-versnellingen van
machine
12. Druk op de knop om cruise
control in te stellen
13. Cruise control
14. Aan
15. Uit
16. Koplampen
17. Druk op de knop om de
uitschakeling van een
oververhitte motor op te
heffen.
18. Om de motor te starten,
moet u het tractiepedaal in
de neutraalstand zetten, het
rempedaal intrappen en de
gashendel op Langzaam
zetten. Draai daarna het
contactsleuteltje op Start;
lees de
Gebruikershandleiding.
19. Om de aftakas in te
schakelen, moet u de
aftakasschakelaar
omhoogtrekken en naar
voren zetten.
13
20. Om de motor af te zetten,
moet u de aftakas uit-
schakelen, de gashendel op
Langzaam zetten en de
parkeerrem in werking
stellen; draai vervolgens het
contactsleuteltje op Stop en
haal dit uit het contact; lees
de Gebruikershandleiding.
21. Om de transmissie in een
hogere versnelling te zetten,
brengt u de werktuiglift
omhoog.