Garmin STRIKER VIVID / 5cv / 4 / 7 / 9 - Visvinderhandleiding
- 1 Inleiding
- 2 De kaartplotter aanpassen
- 3 ActiveCaptain app
- 4 Sonar Fishfinder
- 5 Garmin Quickdraw Contours-kaarten
- 6 Navigeren met de STRIKER Vivid
- 7 Apparaatconfiguratie
- 8 Gebruikersgegevens delen en beheren
- 9 Uw toestel registreren met het serienummer
- 10 Specificaties
- 11 Probleemoplossing
- 12 Referenties
- 13 Download handleiding
- 14 In andere talen

Inleiding
Raadpleeg de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de productverpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke informatie.
Toetsen van het toestel

| Item | Icoon | Beschrijving |
| 1 | | Keert terug naar het vorige scherm. Keert terug naar het startscherm wanneer deze wordt ingedrukt. |
| 2 | | Scrolt, markeert opties en verplaatst de cursor. Zoomt in en uit op een weergave. |
| 3 | | Sluit een menu, indien van toepassing. Opent een menu met opties voor de pagina, indien van toepassing. |
| 4 | | Schakelt het toestel in en uit wanneer deze wordt ingedrukt. Voert een of meer van deze acties uit wanneer deze snel wordt ingedrukt:
|
| 5 | | Bevestigt berichten en selecteert opties. |
| 6 | | Slaat de huidige locatie op als een waypoint. |
| 7 | | Zoomt uit op een weergave. (Niet beschikbaar op alle modellen.) Zoomt in op een weergave. (Niet beschikbaar op alle modellen.) |
LET OP
Voordat u het toestel inschakelt, moet u de connectoren stevig in de juiste gaten in het toestel drukken. Als de kabels niet ver genoeg in het toestel zijn gedrukt, lijkt het alsof het toestel geen stroom meer heeft of niet meer werkt.
Startscherm
Het startscherm van de visvinder biedt toegang tot alle functies in de visvinder. De functies zijn afhankelijk van de accessoires die u op de visvinder hebt aangesloten. Mogelijk hebt u niet alle opties en functies die in deze handleiding worden besproken.
Wanneer u een ander scherm bekijkt, kunt u terugkeren naar het startscherm door
ingedrukt te houden. U kunt de lay-out van de schermen aanpassen.

In- en uitzoomen op de STRIKER Vivid 4
U kunt in- en uitzoomen op de kaart.
- Selecteer
om in te zoomen. - Selecteer
om uit te zoomen.
Pannen op de STRIKER Vivid 4
U kunt de sonarweergaven en kaarten verplaatsen om een ander gebied dan uw huidige locatie te bekijken.
- Selecteer
of
om te beginnen met pannen. - Gebruik de pijltoetsen om te pannen.
TIP: U kunt
selecteren om het pannen te stoppen.
GPS-satellietsignaalontvangst
Wanneer u de visvinder inschakelt, moet de GPS-ontvanger satellietgegevens verzamelen en de huidige locatie bepalen. Wanneer de visvinder satellietsignalen ontvangt, wordt
boven aan het startscherm weergegeven. Wanneer de visvinder satellietsignalen verliest, verdwijnt
en verschijnt er een knipperend vraagteken boven
op het scherm.
Ga voor meer informatie over GPS naar www.garmin.com/aboutGPS.
De kaartplotter aanpassen
Het startscherm aanpassen
U kunt items toevoegen aan en items opnieuw rangschikken op het startscherm.
- Selecteer in het startscherm Aanpassen.
- Selecteer een optie:
- Als u een item opnieuw wilt rangschikken, selecteert u Rangschikken, selecteert u het item dat u wilt verplaatsen en selecteert u de nieuwe locatie.
- Als u een item wilt toevoegen aan het startscherm, selecteert u Toevoegen en selecteert u het nieuwe item.
- Als u een item wilt verwijderen dat u hebt toegevoegd aan het startscherm, selecteert u Verwijderen en selecteert u het item.
- Als u de achtergrondafbeelding van het startscherm wilt wijzigen, selecteert u Achtergrond en selecteert u een afbeelding.
Combinatiepagina's
Sommige pagina's combineren twee of meer functies op één pagina. Het aantal beschikbare opties voor combinatiepagina's is afhankelijk van de optionele toestellen die u op uw STRIKER Vivid toestel hebt aangesloten. U kunt de combinatiepagina's bewerken en nieuwe combinatiepagina's maken.
Een nieuwe combinatiepagina maken met de STRIKER Vivid 5/7/9
U kunt een aangepast scherm maken dat aan uw behoeften voldoet.
- Selecteer Aanpassen > Toevoegen > Combo toevoegen.
- Selecteer een lay-out.
![Garmin - STRIKER VIVID - Een nieuwe combinatiepagina maken Een nieuwe combinatiepagina maken]()
- Selecteer een gebied.
- Selecteer een scherm.
- Herhaal deze stappen voor elk gebied van de pagina.
- Selecteer indien nodig Gegevens (verborgen) en selecteer een optie:
- Als u de gegevens die op het scherm worden weergegeven, wilt aanpassen, selecteert u Overlaynummers.
- Als u de kompasbandgegevensbalk wilt in- en uitschakelen, selecteert u Kompasband.
- Selecteer Gereed wanneer u klaar bent met aanpassen.
- Selecteer Volgende.
- Voer een naam in voor de pagina.
TIP: Selecteer
om een letter te selecteren. - Gebruik de pijltoetsen om de grootte van de vensters te wijzigen.
- Gebruik de pijltoetsen om een locatie op het startscherm te selecteren.
- Selecteer Gereed om af te sluiten.
Een nieuwe combinatiepagina maken met de STRIKER Vivid 4
U kunt een aangepaste pagina maken die aan uw behoeften voldoet.
- Selecteer Aanpassen > Toevoegen > Combo toevoegen.
- Selecteer de eerste functie.
- Selecteer de tweede functie.
- Selecteer Splitsen om de richting van het gesplitste scherm te kiezen (optioneel).
- Selecteer Volgende.
- Voer een naam in voor de pagina.
TIP: Selecteer
om de letter te selecteren. - Gebruik de pijltoetsen om de grootte van de vensters te wijzigen.
- Gebruik de pijltoetsen om een locatie op het startscherm te selecteren.
- Selecteer Gereed om af te sluiten.
Een combinatiepagina aanpassen
- Open een combinatiepagina.
- Selecteer
> Configureren. - Selecteer een optie:
- Als u de naam wilt wijzigen, selecteert u Naam en voert u een nieuwe naam in.
- Als u de indeling van de informatie op het scherm wilt wijzigen, selecteert u Lay-out wijzigen en selecteert u een nieuwe lay-out.
- Als u de informatie die op het scherm wordt weergegeven, wilt wijzigen, selecteert u Functie wijzigen en selecteert u nieuwe informatie.
- Als u de grootte van de informatiegebieden die op het scherm worden weergegeven, wilt wijzigen, selecteert u Combinatiegrootte wijzigen.
- Als u de gegevens die op het scherm worden weergegeven, wilt aanpassen, selecteert u Overlaynummers (Overlaynummerinstellingen).
De achtergrondverlichting aanpassen
- Selecteer Instellingen > Systeem > Scherm > Achtergrondverlichting.
- Pas de achtergrondverlichting aan.
TIP: Druk in een willekeurig scherm herhaaldelijk op
om door de helderheidsniveaus te bladeren. Dit kan handig zijn wanneer de helderheid zo laag is dat u het scherm niet kunt zien.
De kleurmodus aanpassen
- Selecteer Instellingen > Systeem > Scherm > Kleurmodus.
TIP: Selecteer
> Kleurmodus in een willekeurig scherm om toegang te krijgen tot de kleurinstellingen. - Selecteer een optie.
De pieper instellen
U kunt instellen wanneer het toestel geluiden maakt.
- Selecteer Instellingen > Systeem > Pieper.
- Selecteer een optie:
- Als u wilt dat het toestel piept wanneer u een item selecteert en wanneer een alarm wordt geactiveerd, selecteert u Aan (selecties en alarmen).
- Als u wilt dat het toestel alleen piept wanneer alarmen worden geactiveerd, selecteert u Alleen alarmen.
ActiveCaptain® app
Met deze functie kunnen gebruikers informatie indienen. Garmin® geeft geen garanties over de nauwkeurigheid, volledigheid of tijdigheid van de door gebruikers ingediende informatie. Elk gebruik van of vertrouwen op de door gebruikers ingediende informatie is op eigen risico.
De ActiveCaptain app biedt een verbinding met uw STRIKER Vivid toestel en de community voor een verbonden vaarervaring.
U kunt de app gebruiken om eenvoudig en snel gebruikersgegevens over te brengen, zoals waypoints en routes, verbinding te maken met de Garmin Quickdraw™ Contours Community, de toestelsoftware bij te werken en uw reis te plannen.
ActiveCaptain-rollen
Uw niveau van interactie met het STRIKER Vivid toestel met behulp van de ActiveCaptain app is afhankelijk van uw rol.
| Functie | Eigenaar | Gast |
| Toestel registreren bij account | Ja | Nee |
| Software bijwerken | Ja | Ja |
| Automatisch Garmin Quickdraw contouren overbrengen die u hebt gedownload of gemaakt | Ja | Nee |
| Smart Notifications pushen | Ja | Ja |
Aan de slag met de ActiveCaptain app
OPMERKING: De ActiveCaptain functie is alleen beschikbaar op de STRIKER Vivid 7- en STRIKER Vivid 9-modellen, die Wi‑Fi® technologie hebben.
U kunt een mobiel toestel verbinden met het STRIKER Vivid toestel met behulp van de ActiveCaptain app. De app biedt een snelle en eenvoudige manier om met uw kaartplotter te communiceren en taken uit te voeren, zoals gegevens delen, registreren, de toestelsoftware bijwerken en meldingen van mobiele toestellen ontvangen.
- Selecteer op het STRIKER Vivid toestel ActiveCaptain.
- Selecteer op de pagina ActiveCaptain Wi-Fi Network (Wi-Fi-netwerk) > Wi-Fi > On (Aan).
- Voer een naam en wachtwoord in voor dit netwerk.
- Installeer en open de ActiveCaptain app vanuit de applicatiewinkel op uw mobiele toestel.
- Breng het mobiele toestel binnen 24 m (80 ft.) van het STRIKER Vivid toestel.
- Open vanaf de instellingen van uw mobiele toestel de pagina met Wi‑Fi verbindingen en maak verbinding met het Garmin toestel met behulp van de naam en het wachtwoord dat u in het Garmin toestel hebt ingevoerd.
Smart Notifications inschakelen
Lees of beantwoord geen meldingen tijdens het varen. Als u de omstandigheden op het water niet in acht neemt, kan dit leiden tot schade aan het vaartuig, persoonlijk letsel of de dood.
Voordat uw STRIKER Vivid toestel meldingen kan ontvangen, moet u het verbinden met uw mobiele toestel en met de ActiveCaptain app.
- Selecteer op het STRIKER Vivid toestel ActiveCaptain > Smart Notifications > Enable Notifications (Meldingen inschakelen).
- Schakel Bluetooth® technologie in de instellingen van het mobiele toestel in.
- Breng de toestellen binnen 24 m (80 ft.) van elkaar.
- Selecteer in de ActiveCaptain app op het mobiele toestel Smart Notifications > Pair with Chartplotter (Koppelen met kaartplotter).
- Volg de instructies op het scherm om de app met het STRIKER Vivid toestel te koppelen.
- Voer desgevraagd de code op uw mobiele toestel in.
- Pas indien nodig aan welke meldingen u in de instellingen van uw mobiele toestel ontvangt. ActiveCaptain® app
Software bijwerken met de ActiveCaptain app
Als uw toestel Wi‑Fi technologie heeft, kunt u de ActiveCaptain app gebruiken om de nieuwste software-updates voor uw toestel te downloaden en te installeren.
LET OP
Voor software-updates moet de app mogelijk grote bestanden downloaden. Er gelden de normale datalimieten of kosten van uw internetprovider. Neem contact op met uw internetprovider voor meer informatie over datalimieten of kosten.
Het installatieproces kan enkele minuten duren.
- Verbind het mobiele toestel met het STRIKER Vivid toestel (Aan de slag met de ActiveCaptain app).
- Wanneer er een software-update beschikbaar is en u internettoegang hebt op uw mobiele toestel, selecteert u Software Updates > Download (Downloaden).
De ActiveCaptain app downloadt de update naar het mobiele toestel. Wanneer u de app opnieuw verbindt met het STRIKER Vivid toestel, wordt de update naar het toestel overgebracht. Nadat de overdracht is voltooid, wordt u gevraagd de update te installeren. - Wanneer u hierom wordt gevraagd door het STRIKER Vivid toestel, selecteert u een optie om de update te installeren.
- Als u de software direct wilt bijwerken, selecteert u OK.
- Als u de update wilt uitstellen, selecteert u Cancel (Annuleren). Wanneer u klaar bent om de update te installeren, selecteert u ActiveCaptain > Software Updates > Install Now (Nu installeren).
Sonar Fishfinder
Ga naar garmin.com/transducers voor meer informatie over welke transducer het beste is voor jouw behoeften.
Verschillende sonarbeelden kunnen je helpen de vis in het gebied te bekijken. De beschikbare sonarbeelden variëren afhankelijk van het type transducer en soundermodule dat is aangesloten op de kaartplotter. Je kunt bijvoorbeeld bepaalde Garmin ClearVü™-sonarschermen alleen bekijken als je een compatibele Garmin ClearVü-transducer hebt aangesloten.
Er zijn vier basisstijlen van sonarbeelden beschikbaar: een schermvullende weergave, een gesplitst scherm met twee of meer weergaven, een gesplitste zoomweergave en een gesplitste frequentieweergave die twee verschillende frequenties weergeeft. Je kunt de instellingen voor elke weergave in het scherm aanpassen. Als je bijvoorbeeld de gesplitste frequentieweergave bekijkt, kun je de versterking voor elke frequentie afzonderlijk aanpassen.
Traditioneel sonarbeeld
Er zijn verschillende schermvullende weergaven beschikbaar, afhankelijk van de transducer die is aangesloten.
Het schermvullende traditionele sonarbeeld toont een groot beeld van de sonarmetingen van een transducer. De bereikschaal aan de rechterkant van het scherm toont de diepte van gedetecteerde objecten terwijl het scherm van rechts naar links scrolt.

- Diepte-informatie
- Zwevende objecten of vissen
- Bodem van het water
Garmin ClearVü-sonarbeeld
OPMERKING: Om Garmin ClearVü-scanningsonar te ontvangen, heb je een compatibele transducer nodig. Ga naar garmin.com/transducers voor informatie over compatibele transducers.
Garmin ClearVü-hoogfrequentiesonar biedt een gedetailleerd beeld van de visomgeving rond de boot in een gedetailleerde weergave van structuren waar de boot overheen vaart.

Traditionele transducers zenden een kegelvormige bundel uit. De Garmin ClearVü-scantechnologie zendt twee smalle bundels uit, vergelijkbaar met de vorm van de bundel in een kopieermachine. Deze bundels bieden een helderder, beeldachtig beeld van wat zich onder de boot bevindt.

SideVü-sonarbeeld
SideVü-scantechnologie toont je een beeld van wat zich aan de zijkanten van de boot bevindt. Je kunt dit gebruiken als een zoekhulpmiddel om structuren en vissen te vinden.

- Linkerkant van de boot
- Rechterkant van de boot
- De transducer op je vaartuig
- Boomstammen
- Oude banden
- Bomen
- Water tussen het vaartuig en de bodem
- Afstand vanaf de zijkant van de boot
Frequentie gesplitst scherm
Je kunt twee frequenties bekijken via het scherm met gesplitste frequentie.

Flasher
De flasher toont sonarinformatie op een cirkelvormige diepteschaal, die aangeeft wat zich onder je boot bevindt. Het is georganiseerd als een ring die bovenaan begint en met de klok mee voortloopt. De diepte wordt aangegeven door de schaal in de ring. Sonarinformatie knippert op de ring wanneer deze wordt ontvangen op de aangegeven diepte. De kleuren geven verschillende sterktes van de sonarretour aan.
Selecteer Flasher.

- Diepte op je huidige locatie
- Diepteschaal
Gesplitste zoomweergave
Op de pagina met gesplitste zoom kun je een volledige grafiek van sonarmetingen aan de rechterkant van het scherm zien, en een vergroot gedeelte van die grafiek aan de linkerkant van het scherm.
Selecteer in een sonarscherm
> Zoom > Gesplitste zoom.

- Ingezoomde diepteschaal
- Zoomvenster
- Dieptebereik
Het transducer-type selecteren
Als je een transducer aansluit die niet bij het toestel is meegeleverd, moet je mogelijk het transducer-type instellen zodat de sonar goed functioneert. Voordat je de transducer aansluit, moet je het transducer-type selecteren. De naam van de transducer moet op het label op de transducerkabel staan, in de buurt van de connector.
Dit toestel is compatibel met een reeks accessoiretransducers, waaronder Garmin ClearVü-transducers, die beschikbaar zijn op garmin.com/transducers.
- Selecteer Instellingen > Mijn vaartuig > Transducer-type.
- Selecteer een optie:
- Als je een 200/77 kHz dual-beam transducer hebt, selecteer je Dual Beam (200/77 kHz).
- Als je een 200/50 kHz dual-frequency transducer hebt, selecteer je Dual Frequency (200/50 kHz).
- Als je een ander type transducer hebt, selecteer je deze in de lijst.
Sonarfrequenties
OPMERKING: De beschikbare frequenties zijn afhankelijk van de kaartplotter, soundermodules en transducer die worden gebruikt.
Het aanpassen van de frequentie helpt om de sonar aan te passen aan je specifieke doelen en de huidige diepte van het water.
Hogere frequenties gebruiken smalle bundelbreedtes en zijn beter voor gebruik bij hoge snelheden en ruwe zeecondities. De definitie van de bodem en de thermocline kan beter zijn bij het gebruik van een hogere frequentie.
Lagere frequenties gebruiken bredere bundelbreedtes, waardoor de visser meer objecten kan zien, maar ook meer oppervlaktegeluid kan genereren en de continuïteit van het bodemsignaal kan verminderen tijdens ruwe zeecondities. Bredere bundelbreedtes genereren grotere bogen voor visobjectretouren, waardoor ze ideaal zijn voor het lokaliseren van vis. Bredere bundelbreedtes presteren ook beter in diep water, omdat de lagere frequentie een betere doordringing in diep water heeft.
Met CHIRP-frequenties kun je elke puls door een reeks frequenties laten lopen, wat resulteert in een betere objectscheiding in diep water. CHIRP kan worden gebruikt om objecten duidelijk te identificeren, zoals afzonderlijke vissen in een school, en voor toepassingen in diep water. CHIRP presteert over het algemeen beter dan toepassingen met één frequentie. Omdat sommige visobjecten beter kunnen worden weergegeven met een vaste frequentie, moet je rekening houden met je doelen en watercondities bij het gebruik van CHIRP-frequenties.
Sommige sonar-black boxes en transducers bieden ook de mogelijkheid om vooraf ingestelde frequenties aan te passen voor elk transducer-element, waardoor je de frequentie snel kunt wijzigen met behulp van de voorinstellingen als het water en je doelen veranderen.
Door twee frequenties gelijktijdig te bekijken met behulp van de frequentieweergave met gesplitst scherm, kun je dieper kijken met de retour van de lagere frequentie en tegelijkertijd meer details zien van de retour van de hogere frequentie.
De transducerfrequentie selecteren
OPMERKING: Je kunt de frequentie niet voor alle sonarbeelden en transducers aanpassen.
Je kunt selecteren welke frequenties op het sonarscherm verschijnen.
LET OP
Wees altijd op de hoogte van de lokale voorschriften met betrekking tot sonarfrequenties. Om bijvoorbeeld orka-walvisgroepen te beschermen, mag je mogelijk geen frequenties tussen 50 en 80 kHz gebruiken binnen ½ mijl van een orka-walvisgroep. Het is jouw verantwoordelijkheid om het toestel te gebruiken in overeenstemming met alle toepasselijke wetten en verordeningen.
- Selecteer in een sonarweergave
> Frequentie. - Selecteer een frequentie die geschikt is voor je behoeften en waterdiepte.
Zie Sonarfrequenties voor meer informatie over frequenties.
Een waypoint maken op het sonarscherm met behulp van de toestelknoppen
- Gebruik in een sonarweergave de pijltoetsen om een locatie te selecteren om op te slaan.
- Selecteer
. - Bewerk indien nodig de waypointinformatie.
De sonar pauzeren
Niet alle opties zijn beschikbaar op alle modellen.
Selecteer een optie:
- Selecteer in het traditionele of ClearVü-sonarscherm
of
. - Selecteer in het SideVü-sonarscherm
of
.
De zoom aanpassen
Je kunt de zoom handmatig aanpassen door de afstand en een vaste startdiepte op te geven. Als de diepte bijvoorbeeld 15 m is en de startdiepte 5 m, geeft het toestel een vergroot gebied weer van 5 tot 20 m diep.
Je kunt het toestel de zoom ook automatisch laten aanpassen door een afstand op te geven. Het toestel berekent het zoomgebied vanaf de bodem van het water. Als je bijvoorbeeld een afstand van 10 m selecteert, geeft het toestel een vergroot gebied weer vanaf de bodem van het water tot 10 m boven de bodem.
- Selecteer in een sonarscherm
> Zoom. - Selecteer een optie:
- Selecteer Bodemvergrendeling om het scherm te vergrendelen op de waterbodem.
- Selecteer Handmatig om de zoom handmatig in te stellen.
- Selecteer Auto om de zoom automatisch in te stellen.
- Selecteer Gesplitste zoom om de gesplitste zoomweergave in te schakelen.
Het scherm vergrendelen op de waterbodem
Je kunt het scherm vergrendelen op de waterbodem. Als je bijvoorbeeld een afstand van 20 meter selecteert, toont het toestel een gebied van de waterbodem tot 20 meter boven de bodem. De afstand wordt aan de rechterkant weergegeven.
- Selecteer in een sonarweergave
> Zoom > Bodemvergrendeling. - Selecteer een afstand.
Sonarversterking
De versterkingsinstelling regelt de gevoeligheid van de sonarontvanger om te compenseren voor waterdiepte en helderheid van het water. Het verhogen van de versterking toont meer details, en het verlagen van de versterking vermindert schermrommel.
OPMERKING: Het instellen van de versterking op één sonarweergave past de instelling toe op alle weergaven.
Automatisch versterking instellen
OPMERKING: Om de versterking in te stellen op het scherm met gesplitste frequentie, moet u elke frequentie afzonderlijk instellen.
- Selecteer
> Gain. - Selecteer Enable Auto Gain (Automatische versterking inschakelen), indien van toepassing.
- Selecteer een optie:
- Als u een hogere gevoeligheid en zwakkere sonarterugkeer met meer ruis automatisch wilt weergeven, selecteert u Auto High.
- Als u sonarterugkeer met een gemiddelde gevoeligheid en matige ruis automatisch wilt weergeven, selecteert u Auto Med.
- Als u sonarterugkeer met een lagere gevoeligheid en minder ruis automatisch wilt weergeven, selecteert u Auto Low.
De versterking handmatig instellen
- Selecteer op een sonarscherm
> Gain. - Selecteer
of
tot u ruis begint te zien in het watergedeelte van het scherm. - Selecteer
of
om de versterking te verlagen.
Het bereik van de diepteschaal aanpassen
U kunt het bereik aanpassen van de diepteschaal die aan de rechterkant van het scherm verschijnt. Automatische bereikinstelling houdt de bodem in het onderste derde deel van het sonarscherm en kan handig zijn voor het volgen van de bodem bij langzame of gematigde terreinveranderingen.
Wanneer de diepte drastisch verandert, zoals bij een afgrond of klif, kunt u het bereik handmatig aanpassen om een bepaald dieptebereik te bekijken. De bodem wordt op het scherm weergegeven zolang de bodem zich ergens binnen het ingestelde handmatige bereik bevindt.
- Selecteer op een sonarscherm
> Range. - Selecteer een optie:
- Als u het toestel het bereik automatisch wilt laten aanpassen op basis van de diepte, selecteert u Auto.
- Als u het bereik handmatig wilt vergroten, selecteert u
of
. - Als u het bereik handmatig wilt verkleinen, selecteert u
of
.
OPMERKING: Selecteer op een sonarscherm
en
om het bereik snel handmatig aan te passen.
Als u het bereik op één scherm instelt, wordt deze instelling toegepast op alle schermen, behalve het SideVü-scherm.
Sonarinstellingen
De dieptelijn weergeven en aanpassen
U kunt een horizontale lijn op een sonarscherm weergeven en aanpassen. De diepte van de lijn wordt aan de rechterkant van het scherm aangegeven.
OPMERKING: Als u een dieptelijn op één scherm weergeeft, wordt de dieptelijn op alle schermen weergegeven.
- Selecteer op een sonarscherm
> Sonar Setup > Depth Line. - Selecteer
. - Als u de Depth Line wilt aanpassen, selecteert u
of
.
De scrollsnelheid instellen
U kunt de snelheid instellen waarmee het sonarbeeld over het scherm beweegt. Een hogere scrollsnelheid geeft meer details weer, vooral tijdens het varen of trollen. Een lagere scrollsnelheid geeft sonarinformatie langer op het scherm weer. Als u de scrollsnelheid op één sonaraanzicht instelt, wordt deze toegepast op alle sonaraanzichten.
- Selecteer in een sonaraanzicht
> Sonar Setup > Scroll Speed. - Selecteer een optie:
- Als u de scrollsnelheid automatisch wilt aanpassen met behulp van de snelheid over de grond, selecteert u Auto.
De Auto-instelling selecteert een scrollfrequentie die overeenkomt met de bootsnelheid, zodat doelen in het water met de juiste hoogte-breedteverhouding worden getekend en minder vervormd lijken. Bij het bekijken van Garmin ClearVü- of SideVü-sonaraanzichten wordt aanbevolen de Auto-instelling te gebruiken. - Als u een zeer hoge scrollsnelheid wilt gebruiken, selecteert u Ultrascroll®.
De optie Ultrascroll scrollt snel door nieuwe sonargegevens, maar met een verminderde beeldkwaliteit. In de meeste situaties biedt de optie Fast een goede balans tussen een snel scrollend beeld en doelen die minder vervormd zijn.
- Als u de scrollsnelheid automatisch wilt aanpassen met behulp van de snelheid over de grond, selecteert u Auto.
De zoeklimiet van de bodem instellen
U kunt een maximale diepte instellen waarop de functie voor het automatische bereik naar de bodem zoekt. Een lagere limiet verkrijgt sneller gegevens over de bodem dan een hogere limiet.
- Selecteer op een sonarscherm
> Sonar Setup > Bottom Search Limit. - Selecteer een bereik.
Sonar-weergave-instellingen
Selecteer in een sonaraanzicht
> Sonar Setup > Appearance.
Color Scheme (Kleurenschema): Stelt het kleurenschema in.
Edge (Rand): Markeert het sterkste signaal van de bodem om de hardheid of zachtheid van het signaal te helpen bepalen.
A-Scope: Geeft een verticale flitser langs de rechterkant van het scherm weer die direct het bereik tot doelen langs een schaal weergeeft.
Fish Symbols (Vissymbolen): Stelt in hoe de sonar zwevende doelen interpreteert.
De A-Scope inschakelen
De a-scope is een verticale flitser langs de rechterkant van het sonaraanzicht op volledig scherm. Deze functie breidt de meest recent ontvangen sonargegevens uit, zodat deze gemakkelijker te zien zijn. Het kan ook handig zijn voor het detecteren van vissen die zich dicht bij de bodem bevinden.
OPMERKING: Deze functie is niet beschikbaar op alle sonarschermen.
Selecteer op de pagina op volledig scherm
> Sonar Setup > Appearance > A-Scope.

- A-Scope
- Diameter van de sonarkegel op de huidige diepte
Het uiterlijk van zwevende doelen configureren
OPMERKING: Het configureren van het uiterlijk van zwevende doelen op één scherm past die instelling toe op alle schermen.
OPMERKING: Deze functie is niet beschikbaar in alle sonaraanzichten.
| Geeft zwevende doelen weer als symbolen. |
| Geeft zwevende doelen weer als symbolen met informatie over de doeldiepte. |
| Geeft zwevende doelen weer als symbolen met sonarinformatie op de achtergrond. |
| Geeft zwevende doelen weer als symbolen met sonarinformatie op de achtergrond en informatie over de doeldiepte. |
- Selecteer op een sonarscherm
> Sonar Setup > Appearance > Fish Symbols. - Selecteer een optie.
Instellingen voor sonargeluidsonderdrukking
Selecteer in een sonaraanzicht
> Sonar Setup > Noise Reject.
Interference (Storing): Past de gevoeligheid aan om de effecten van storing door nabijgelegen geluidsbronnen te verminderen.

Wanneer u de storingsinstelling aanpast van uit
via laag
, gemiddeld
en hoog
, wordt er geleidelijk ruis verwijderd, maar is er weinig effect op de sterke doelterugkeer. U moet de laagste storingsinstelling gebruiken die de gewenste verbetering oplevert om storing van het scherm te verwijderen. Het corrigeren van installatieproblemen die ruis veroorzaken, is de beste manier om storing te elimineren.
Surface Noise (Oppervlakteruis): Verbergt sonarterugkeer nabij het wateroppervlak. Het verbergen van oppervlakteruis helpt de schermweergave te verminderen.

Oppervlakteruis
wordt veroorzaakt door interferentie tussen de transducer en het water. U kunt oppervlakteruis verbergen
om de schermweergave te verminderen. Bredere bundelbreedtes (lagere frequenties) kunnen meer doelen weergeven, maar kunnen meer oppervlakteruis genereren.
TVG: Vermindert oppervlakteruis.
Deze bediening is het meest geschikt voor situaties waarin u de schermweergave of ruis nabij het wateroppervlak wilt bedienen en onderdrukken. Het maakt ook de weergave mogelijk van doelen nabij het oppervlak die anders verborgen of gemaskeerd zijn door oppervlakteruis.
Overlay-nummerinstellingen
U kunt de gegevens die op het sonarscherm worden weergegeven, aanpassen.
Selecteer in een sonarscherm
> Overlay-nummers.
Navigatie-inzetstuk: geeft het navigatie-inzetstuk weer wanneer het schip naar een bestemming navigeert.
Kompasband: geeft de gegevensbalk van de kompasband weer.
Apparaatspanning: geeft de spanning van het apparaat weer.
Diepte: geeft de huidige diepte van de transducer weer.
Snelheid: geeft de huidige snelheid van het schip weer.
Watertemp.: geeft de huidige watertemperatuur weer.
Tijd van de dag: geeft de huidige tijd van de dag weer.
Garmin Quickdraw Contours-kaarten
Met de Garmin Quickdraw Contours-kaartfunctie kunnen gebruikers kaarten genereren. Garmin geeft geen garanties over de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid, volledigheid of tijdigheid van de kaarten die door derden worden gegenereerd. Elk gebruik van of vertrouwen op de kaarten die door derden worden gegenereerd, is op eigen risico.
Met de Garmin Quickdraw Contours-kaartfunctie kunt u direct kaarten maken met dieptelijnen en diepte-aanduidingen voor elke watermassa.
Wanneer Garmin Quickdraw Contours gegevens registreert, wordt een gekleurde cirkel weergegeven rond het vaartuigpictogram. Deze cirkel geeft het geschatte gebied van de kaart aan dat wordt gescand bij elke passage.

Een groene cirkel geeft een goede diepte en GPS-positie aan en een snelheid onder 16 km/u. Een gele cirkel geeft een goede diepte en GPS-positie aan en een snelheid tussen 16 en 32 km/u. Een rode cirkel geeft een slechte diepte of GPS-positie aan en een snelheid boven 32 km/u.
U kunt Garmin Quickdraw Contours bekijken in een combinatiescherm of als een enkele weergave op de kaart.
De hoeveelheid opgeslagen gegevens is afhankelijk van het beschikbare geheugen in het toestel, uw sonderbron en de snelheid van uw boot tijdens het vastleggen van gegevens. U kunt langer opnemen wanneer u een single-beam sonar gebruikt. Geschat wordt dat u ongeveer 1500 uur aan gegevens op het toestel kunt vastleggen.
Een watermassa in kaart brengen met de functie Garmin Quickdraw Contours
Voordat u de Garmin Quickdraw Contours-functie kunt gebruiken, moet u de sonardiepte en uw GPS-positie hebben.
- Selecteer Quickdraw Map >
> Quickdraw Contours > Start Recording (Opname starten). - Wanneer de opname is voltooid, selecteert u
> Quickdraw Contours > Stop Recording (Opname stoppen).
Een label toevoegen aan een Garmin Quickdraw Contours-kaart
U kunt labels toevoegen aan een Garmin Quickdraw Contours-kaart om gevaren of nuttige plaatsen te markeren.
- Selecteer een locatie in de Quickdraw Map.
- Selecteer Add Quickdraw Label (Quickdraw-label toevoegen).
- Voer tekst in voor het label en selecteer Done (Gereed).
Garmin Quickdraw Contours verwijderen
U kunt uw Garmin Quickdraw Contours-kaarten verwijderen.
Selecteer Quickdraw Map >
> Quickdraw Contours > Delete (Verwijderen).
Garmin Quickdraw Community
De Garmin Quickdraw Community is een gratis, openbare online community waar u uw Garmin Quickdraw Contours-kaarten met anderen kunt delen. U kunt ook kaarten downloaden die andere gebruikers hebben gemaakt.
Als uw toestel Wi‑Fi-technologie heeft, kunt u de ActiveCaptain app gebruiken om toegang te krijgen tot de Garmin Quickdraw Community (Verbinding maken met de Garmin Quickdraw Community met ActiveCaptain).
OPMERKING: Het Garmin toestel moet een geheugenkaartsleuf of Wi‑Fi-technologie hebben om deel te nemen aan de Garmin Quickdraw Community.
Verbinding maken met de Garmin Quickdraw Community met ActiveCaptain
- Open de ActiveCaptain app vanaf uw mobiele toestel en maak verbinding met het STRIKER Vivid toestel (Aan de slag met de ActiveCaptain app).
- Selecteer in de app Quickdraw Community.
U kunt dieptelijnen downloaden van anderen in de community (Garmin Quickdraw Community-kaarten downloaden met ActiveCaptain) en de dieptelijnen delen die u hebt gemaakt (Uw Garmin Quickdraw Contours-kaarten delen met de Garmin Quickdraw Community met ActiveCaptain).
Garmin Quickdraw Community-kaarten downloaden met ActiveCaptain
U kunt Garmin Quickdraw Contours-kaarten downloaden die andere gebruikers hebben gemaakt en gedeeld met de Garmin Quickdraw Community.
- Selecteer Quickdraw Community > Search for Contours (Zoeken naar dieptelijnen) in de ActiveCaptain app op uw mobiele toestel.
- Gebruik de kaart- en zoekfuncties om een gebied te vinden om te downloaden.
De rode stippen geven Garmin Quickdraw Contours-kaarten aan die voor dat gebied zijn gedeeld. - Selecteer Select Download Region (Downloadregio selecteren).
- Sleep het vak om het te downloaden gebied te selecteren.
- Sleep de hoeken om het downloadgebied te wijzigen.
- Selecteer Download Area (Downloadgebied).
De volgende keer dat u de ActiveCaptain app met het STRIKER Vivid toestel verbindt, worden de gedownloade dieptelijnen automatisch naar het toestel overgebracht.
Uw Garmin Quickdraw Contours-kaarten delen met de Garmin Quickdraw Community met
ActiveCaptain
U kunt Garmin Quickdraw Contours-kaarten die u hebt gemaakt, met anderen delen in de Garmin Quickdraw Community.
Wanneer u een dieptelijnkaart deelt, wordt alleen de dieptelijnkaart gedeeld. Uw waypoints worden niet gedeeld.
Toen u uw ActiveCaptain app instelde, hebt u mogelijk geselecteerd om uw dieptelijnen automatisch met de community te delen. Volg deze stappen om delen in te schakelen.
Selecteer Sync with Plotter > Contribute to Community (Synchroniseren met plotter > Bijdragen aan community) in de ActiveCaptain app op uw mobiele toestel.
De volgende keer dat u de ActiveCaptain app met het STRIKER Vivid toestel verbindt, worden uw dieptelijnkaarten automatisch naar de community overgebracht.
Kaartinstellingen
Selecteer Quickdraw Map >
.
Waypoints: Toont de lijst met waypoints.
Waypoint Display: Hiermee stelt u in hoe waypoints op de kaart worden weergegeven.
Quickdraw Contours: Schakelt het tekenen van bodemcontouren in en stelt u in staat viskaartlabels te maken.
Routes: Toont de lijst met routes.
Tracks: Toont uw reisgeschiedenis op de kaart.
Search: Hiermee kunt u zoeken naar opgeslagen routes en waypoints.
Map Setup: Stelt het perspectief van de kaart in en toont de koerslijn, een lijn die op de kaart wordt getekend vanaf de boeg van de boot in de reisrichting.
Overlay Numbers: Hiermee kunt u de gegevens aanpassen die op de kaart worden weergegeven.
Garmin Quickdraw Contours-instellingen
Selecteer in een kaart
> Quickdraw Contours > Settings (Instellingen).
Recording Offset: Stelt de afstand in tussen de sonardiepte en de diepte van de dieptelijnregistratie. Als het waterniveau is veranderd sinds uw laatste opname, past u deze instelling aan, zodat de opnamediepte voor beide opnamen hetzelfde is.
Als de laatste keer dat u een opname maakte bijvoorbeeld een sonardiepte van 3,1 m had en de sonardiepte van vandaag 3,6 m is, voert u -0,5 m in voor de waarde van een Recording Offset.
User Display Offset: Hiermee stelt u verschillen in dieptelijndiepten en dieptelabels op uw eigen dieptelijnenkaarten in om te compenseren voor veranderingen in het waterniveau van een watermassa of voor dieptefouten in opgenomen kaarten.
Comm. Display Offset: Hiermee stelt u verschillen in dieptelijndiepten en dieptelabels op de communitydieptelijnenkaarten in om te compenseren voor veranderingen in het waterniveau van een watermassa of voor dieptefouten in opgenomen kaarten.
Survey Coloring: Stelt de kleur van de Garmin Quickdraw Contours-weergave in. Wanneer deze instelling is ingeschakeld, geven de kleuren de kwaliteit van de opname aan. Wanneer deze instelling is uitgeschakeld, gebruiken de dieptelijngebieden standaard kaartkleuren.
Groen geeft een goede diepte en GPS-positie aan en een snelheid onder 16 km/u. Geel geeft een goede diepte en GPS-positie aan en een snelheid tussen 16 en 32 km/u. Rood geeft een slechte diepte of GPS-positie aan en een snelheid boven 32 km/u.
Dieptebereikarcering
U kunt kleurbereiken op uw kaart instellen om de waterdiepten weer te geven waar uw beoogde vis momenteel bijt. U kunt diepere bereiken instellen om te controleren hoe snel de bodemdiepte verandert binnen een specifiek dieptebereik. U kunt maximaal tien dieptebereiken instellen. Voor vissen in het binnenland kunnen maximaal vijf dieptebereiken de kaart helpen overzichtelijker te maken. De dieptebereiken zijn van toepassing op alle kaarten en alle watermassa's.
Sommige Garmin LakeVü™ en premium aanvullende kaarten hebben standaard meerdere dieptebereikarceringen.

| Rood | Van 0 tot 1,5 m |
| Oranje | Van 1,5 tot 3 m |
| Geel | Van 3 tot 4,5 m |
| Groen | Van 4,5 tot 7,6 m |
Navigeren met de STRIKER Vivid
Tijdens het navigeren kan de koers over land of ondiep water lopen. Gebruik visuele waarnemingen en stuur om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden. Het niet doen kan leiden tot een ongeval met materiële schade, persoonlijk letsel of de dood tot gevolg.
U kunt een koers naar een bestemming instellen en volgen met behulp van een van de twee methoden: Ga naar of Route naar.
Ga naar: brengt u rechtstreeks naar de bestemming. Dit is de standaardoptie voor het navigeren naar een bestemming. Het toestel maakt een rechtlijnige koers of navigatielijn naar de bestemming. Het pad kan over land en andere obstakels lopen.
Route naar: maakt een route van uw locatie naar een bestemming, zodat u onderweg afslagen kunt toevoegen. Deze optie biedt een rechtlijnige koers naar de bestemming, maar stelt u in staat om afslagen aan de route toe te voegen om land en andere obstakels te vermijden.
Een bestemming zoeken op naam
U kunt zoeken naar opgeslagen waypoints, opgeslagen routes, opgeslagen tracks en bestemmingen voor maritieme diensten op naam.
- Voer ten minste een deel van de naam van uw bestemming in.
- Selecteer indien nodig Done (Gereed).
De 50 dichtstbijzijnde bestemmingen die aan uw zoekcriteria voldoen, worden weergegeven. - Selecteer de bestemming.
Een waypoint op de kaart maken
- Selecteer een locatie op de Quickdraw Map (Quickdraw-kaart).
- Selecteer
.
Er verschijnt een lijst met opties aan de rechterkant van de kaart. De opties variëren afhankelijk van de locatie of het object dat u hebt geselecteerd. - Selecteer Create Waypoint (Waypoint maken).
Naar een waypoint navigeren
- Gebruik op de Quickdraw Map (Quickdraw-kaart) de pijltjestoetsen om het waypoint te selecteren. De waypointnaam verschijnt op het scherm.
- Selecteer
. - Selecteer Navigate To (Navigeren naar) > Go To (Ga naar).
Een route maken en navigeren met behulp van de kaart
Het beginpunt kan uw huidige locatie of een andere locatie op de kaart zijn.
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Routes (Routes) > New (Nieuw) > Route Using Chart (Route met kaart).
- Pan de kaart om de startlocatie van de route te selecteren.
- Selecteer
om een afslag aan de route toe te voegen. - Herhaal dit om alle afslagen in de route toe te voegen.
- Selecteer > Navigate To (Navigeren naar).
- Selecteer een optie.
Navigatie stoppen
Selecteer in de navigatiekaart of de viskaart
> Stop Navigation (Navigatie stoppen).
Waypoints
Waypoints zijn locaties die u registreert en opslaat in het toestel. Waypoints kunnen markeren waar u bent, waar u naartoe gaat of waar u bent geweest.
Uw huidige locatie markeren als een waypoint
Selecteer in een willekeurig scherm
.
Een waypoint op een andere locatie maken
- Selecteer Waypoints (Waypoints) > New Waypoint (Nieuw waypoint).
- Selecteer een optie:
- Als u het waypoint wilt maken door positiecoördinaten in te voeren, selecteert u Enter Coordinates (Coördinaten invoeren) en voert u de coördinaten in.
- Als u het waypoint wilt maken met behulp van een kaart, selecteert u Use Chart (Kaart gebruiken), selecteert u de locatie en selecteert u
. - Als u het waypoint wilt maken met behulp van een bereik (afstand) en peiling, selecteert u Enter Range/Bearing (Bereik/peiling invoeren) en voert u de gegevens in.
Een man overboord-locatie markeren en ernaar navigeren
Selecteer in een willekeurig scherm
> Man Overboard (Man overboord) > Yes (Ja).
Het toestel stelt een rechtstreekse koers terug naar de locatie in.
Afstand meten op de kaart
U kunt de afstand meten tussen uw locatie en een andere locatie.
- Pan de kaart.
- Selecteer
> Measure Distance (Afstand meten).
De afstand tussen de locaties verschijnt in de linkerbovenhoek van het scherm. - Selecteer indien nodig
om de speld te verplaatsen en de afstand tot een andere locatie te meten.
Een lijst met alle waypoints bekijken
Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Waypoints (Waypoints).
Een opgeslagen waypoint bewerken
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Waypoints (Waypoints).
- Selecteer een waypoint.
- Selecteer Edit Waypoint (Waypoint bewerken).
- Selecteer een optie:
- Als u een naam wilt toevoegen, selecteert u Name (Naam) en voert u een naam in.
- Als u het symbool wilt wijzigen, selecteert u Symbol (Symbool).
- Als u de diepte wilt wijzigen, selecteert u Depth (Diepte).
- Als u de watertemperatuur wilt wijzigen, selecteert u Water Temp. (Watertemp.).
- Als u de opmerking wilt wijzigen, selecteert u Comment (Opmerking).
- Als u de positie van het waypoint wilt verplaatsen, selecteert u Position (Positie).
Een waypoint of een MOB verwijderen
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Waypoints (Waypoints).
- Selecteer een waypoint of een MOB.
- Selecteer Delete (Verwijderen).
Alle waypoints verwijderen
Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Manage Data (Gegevens beheren) > Clear User Data (Gebruikersgegevens wissen) > Waypoints (Waypoints) > All (Alles).
Routes
Een route is een reeks waypoints of locaties die u naar uw eindbestemming leiden.
Een route maken en navigeren met behulp van de kaart
Het beginpunt kan uw huidige locatie of een andere locatie op de kaart zijn.
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Routes (Routes) > New (Nieuw) > Route Using Chart (Route met kaart).
- Pan de kaart om de startlocatie van de route te selecteren.
- Selecteer
om een afslag aan de route toe te voegen. - Herhaal dit om alle afslagen in de route toe te voegen.
- Selecteer
> Navigate To (Navigeren naar). - Selecteer een optie.
Een route maken en opslaan
Met deze procedure slaat u de route en alle waypoints erin op. Het beginpunt kan uw huidige locatie of een andere locatie zijn.
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Routes (Routes) > New (Nieuw) > Use Chart (Kaart gebruiken).
- Selecteer de startlocatie van de route.
- Volg de instructies op het scherm om een afslag toe te voegen.
- Herhaal indien nodig stap 3 om meer afslagen toe te voegen.
- Selecteer de uiteindelijke bestemming.
Een lijst met routes bekijken
Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Routes (Routes).
Een opgeslagen route bewerken
U kunt de naam van een route wijzigen of de afslagen wijzigen die de route bevat.
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Routes (Routes).
- Selecteer een route.
- Selecteer Edit Route (Route bewerken).
- Selecteer een optie:
- Als u de naam wilt wijzigen, selecteert u Name (Naam) en voert u de naam in.
- Als u een waypoint uit de afslaglijst wilt selecteren, selecteert u Edit Turns (Afslagen bewerken) > Use Turn List (Aflsaglijst gebruiken) en selecteert u een waypoint in de lijst.
- Als u een afslag wilt selecteren met behulp van de kaart, selecteert u Edit Turns (Afslagen bewerken) > Use Chart (Kaart gebruiken) en selecteert u een locatie op de kaart.
Een opgeslagen route zoeken en ernaartoe navigeren
Voordat u een lijst met routes kunt doorbladeren en naar een ervan kunt navigeren, moet u minstens één route maken en opslaan.
- Selecteer User Data > Routes.
- Selecteer een route.
- Selecteer Navigate To.
- Selecteer een optie:
- Als u de route wilt navigeren vanaf het beginpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt, selecteert u Forward (Voorwaarts).
- Als u de route wilt navigeren vanaf het eindpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt, selecteert u Backward (Achterwaarts).
Er verschijnt een magenta lijn. In het midden van de magenta lijn bevindt zich een dunnere paarse lijn die de gecorrigeerde koers van uw huidige locatie naar de bestemming aangeeft. De gecorrigeerde koers is dynamisch en beweegt met uw boot wanneer u van koers afwijkt.
- Bekijk de koers die wordt aangegeven door de magenta lijn.
- Volg de magenta lijn langs elk traject van de route en stuur om land, ondiep water en andere obstakels te vermijden.
- Als u van koers afwijkt, volgt u de paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te gaan, of stuurt u terug naar de magenta lijn (directe koers).
Een opgeslagen route zoeken en er parallel aan navigeren
Voordat u een lijst met routes kunt doorbladeren en naar een ervan kunt navigeren, moet u minstens één route maken en opslaan.
- Selecteer User Data > Routes.
- Selecteer een route.
- Selecteer Navigate To.
- Selecteer Offset om parallel aan de route te navigeren, op een bepaalde afstand van de route.
- Geef aan hoe u de route wilt navigeren:
- Als u de route vanaf het beginpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt wilt navigeren, links van de oorspronkelijke route, selecteert u Forward - Port (Voorwaarts - Bakboord).
- Als u de route vanaf het beginpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt wilt navigeren, rechts van de oorspronkelijke route, selecteert u Forward - Starboard (Voorwaarts - Stuurboord).
- Als u de route vanaf het eindpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt wilt navigeren, links van de oorspronkelijke route, selecteert u Backward - Port (Achterwaarts - Bakboord).
- Als u de route vanaf het eindpunt dat is gebruikt toen de route werd gemaakt wilt navigeren, rechts van de oorspronkelijke route, selecteert u Backward - Starboard (Achterwaarts - Stuurboord).
Er verschijnt een magenta lijn. In het midden van de magenta lijn bevindt zich een dunnere paarse lijn die de gecorrigeerde koers van uw huidige locatie naar de bestemming aangeeft. De gecorrigeerde koers is dynamisch en beweegt met uw boot wanneer u van koers afwijkt.
- Bekijk de koers die wordt aangegeven door de magenta lijn.
- Volg de magenta lijn langs elk traject van de route en stuur om land, ondiep water en andere obstakels te vermijden.
- Als u van koers afwijkt, volgt u de paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te gaan, of stuurt u terug naar de magenta lijn (directe koers).
Een opgeslagen route verwijderen
- Selecteer User Data > Routes.
- Selecteer een route.
- Selecteer Delete (Verwijderen).
Alle opgeslagen routes verwijderen
Selecteer User Data > Manage Data > Clear User Data > Routes.
Tracks
Een track is een opname van het pad van uw boot. De track die momenteel wordt opgenomen, wordt de actieve track genoemd en kan worden opgeslagen. U kunt tracks weergeven in elke kaart- of 3D-kaartweergave.
Tracks weergeven
Selecteer User Data > Tracks > Tracks.
Een sleepstreep op de kaart geeft uw track aan.
De actieve track wissen
Selecteer User Data > Tracks > Clear Active Track.
Het trackgeheugen wordt gewist en de actieve track blijft worden opgenomen.
De actieve track opslaan
De track die momenteel wordt opgenomen, wordt de actieve track genoemd.
- Selecteer User Data > Tracks > Save Active Track.
- Selecteer een optie:
- Selecteer de tijd waarop de actieve track is begonnen.
- Selecteer Entire Log (Volledig logboek).
Een lijst met opgeslagen tracks bekijken
Selecteer User Data > Tracks > Saved Tracks.
Een opgeslagen track bewerken
- Selecteer User Data > Tracks > Saved Tracks.
- Selecteer een track.
- Selecteer Edit Track.
- Selecteer een optie:
- Selecteer Name (Naam) en voer de nieuwe naam in.
- Selecteer Track Color (Trackkleur) en selecteer een kleur.
Een track opslaan als een route
- Selecteer User Data > Tracks > Saved Tracks.
- Selecteer een track.
- Selecteer Edit Track > Save As > Save as Route.
Een opgenomen track zoeken en ernaartoe navigeren
Voordat u een lijst met tracks kunt doorbladeren en ernaartoe kunt navigeren, moet u minstens één track opnemen en opslaan (De actieve track opslaan).
- Selecteer User Data > Tracks > Saved Tracks.
- Selecteer een track.
- Selecteer Follow Track.
- Selecteer een optie:
- Als u de track wilt navigeren vanaf het beginpunt dat is gebruikt toen de track werd gemaakt, selecteert u Forward (Voorwaarts).
- Als u de track wilt navigeren vanaf het eindpunt dat is gebruikt toen de track werd gemaakt, selecteert u Backward (Achterwaarts).
- Bekijk de koers die wordt aangegeven door de gekleurde lijn.
- Volg de lijn langs elk traject van de route en stuur om land, ondiep water en andere obstakels te vermijden.
Een opgeslagen track verwijderen
- Selecteer User Data > Tracks > Saved Tracks.
- Selecteer een track.
- Selecteer Delete (Verwijderen).
Alle opgeslagen tracks verwijderen
Selecteer User Data > Manage Data > Clear User Data > Saved Tracks.
De actieve track volgen
De track die momenteel wordt opgenomen, wordt de actieve track genoemd.
- Selecteer User Data > Tracks > Follow Active Track.
- Selecteer een optie:
- Selecteer de tijd waarop de actieve track is begonnen.
- Selecteer Entire Log (Volledig logboek).
- Bekijk de koers die wordt aangegeven door de gekleurde lijn.
- Volg de gekleurde lijn en stuur om land, ondiep water en andere obstakels te vermijden.
De kleur van de actieve track instellen
- Selecteer User Data > Tracks > Active Track Options > Track Color.
- Selecteer een trackkleur.
Het trackloggeheugen beheren tijdens het opnemen
- Selecteer Record Mode.
- Selecteer een optie:
- Als u een tracklog wilt opnemen totdat het trackgeheugen vol is, selecteert u Fill (Vullen).
- Als u continu een tracklog wilt opnemen, waarbij de oudste trackgegevens worden vervangen door nieuwe gegevens, selecteert u Wrap (Doorlopend).
De opname-interval van het tracklog configureren
U kunt de frequentie aangeven waarmee het trackplot wordt opgenomen. Het opnemen van frequentere plots is nauwkeuriger, maar vult het tracklog sneller. Het resolutie-interval wordt aanbevolen voor het meest efficiënte gebruik van het geheugen.
- Selecteer User Data (Gebruikersgegevens) > Tracks (Tracks) > Active Track Options (Actieve trackopties) > Record Interval (Opname-interval) > Interval (Interval).
- Selecteer een optie:
- Als u de track wilt opnemen op basis van een afstand tussen punten, selecteert u Distance (Afstand) > Change (Wijzigen) en voert u de afstand in.
- Als u de track wilt opnemen op basis van een tijdsinterval, selecteert u Time (Tijd) > Change (Wijzigen) en voert u het tijdsinterval in.
- Als u het trackplot wilt opnemen op basis van een afwijking van uw koers, selecteert u Resolution (Resolutie) > Change (Wijzigen) en voert u de maximaal toegestane fout ten opzichte van de werkelijke koers in voordat een trackpunt wordt opgenomen.
Apparaatconfiguratie
Systeeminstellingen
Selecteer Instellingen > Systeem.
Display: Past de helderheid van de achtergrondverlichting (De achtergrondverlichting aanpassen) en het kleurenschema aan (De kleurmodus aanpassen).
Pieper: Schakelt de toon in en uit die klinkt voor alarmen en selecties (De pieper instellen).
GPS: Biedt informatie over de GPS-satellietinstellingen en -fix.
Automatisch inschakelen: Schakelt het toestel automatisch in wanneer er stroom wordt toegevoerd.
Toetsenbordindeling: Stelt de indeling van het toetsenbord in op een alfabetische toetsenbordindeling of een computerindeling.
Taal: Stelt de taal op het scherm in.
Systeeminformatie: Biedt informatie over het toestel en de softwareversie.
Simulator: Schakelt de simulator in en stelt u in staat om de snelheid en de gesimuleerde locatie in te stellen.
Systeeminformatie
Selecteer Instellingen > Instellingen > Systeeminformatie.
Gebeurtenislogboek: Hiermee kunt u een logboek met systeemgebeurtenissen bekijken.
Software-informatie: Biedt informatie over het toestel en de softwareversie.
Garmin-toestellen: Biedt informatie over verbonden Garmin-toestellen.
Resetten: Herstelt de fabrieksinstellingen van het toestel.
LET OP: Hiermee worden alle instellingsgegevens die u hebt ingevoerd, verwijderd.
Mijn vaartuiginstellingen
LET OP: Sommige instellingen en opties vereisen extra hardware. Sommige instellingen zijn alleen beschikbaar als u geldige dieptegegevens hebt.
Selecteer Instellingen > Mijn vaartuig.
Type transducer: Geeft het type transducer weer dat is aangesloten op het toestel (Het type transducer selecteren).
Kielcompensatie: Compenseert de oppervlakte-uitlezing voor de diepte van een kiel, waardoor het mogelijk is om de diepte te meten vanaf de onderkant van de kiel in plaats van vanaf de locatie van de transducer (De kielcompensatie instellen).
Temp. compensatie: Compenseert de watertemperatuur die wordt gemeten door een transducer met temperatuurmeting (De watertemperatuurcompensatie instellen).
De kielcompensatie instellen
U kunt een kielcompensatie invoeren om de waterdiepte-uitlezing te compenseren voor de installatielocatie van de transducer. Hierdoor kunt u de diepte van het water onder de kiel of de werkelijke diepte van het water bekijken, afhankelijk van uw behoeften.
Als u de waterdiepte onder de kiel of het laagste punt van uw boot wilt weten en de transducer is geïnstalleerd op de waterlijn of ergens boven het einde van de kiel, meet u de afstand van de transducerlocatie tot de kiel van de boot.
Als u de werkelijke waterdiepte wilt weten en de transducer is onder de waterlijn geïnstalleerd, meet u de afstand van de onderkant van de transducer tot de waterlijn.
LET OP: Deze optie is alleen beschikbaar als u geldige dieptegegevens hebt.
- Meet de afstand:
- Als de transducer is geïnstalleerd op de waterlijn
of ergens boven het einde van de kiel, meet u de afstand van de transducerlocatie tot de kiel van de boot. Voer deze waarde in als een positief getal. - Als de transducer is geïnstalleerd aan de onderkant van de kiel
en u wilt de werkelijke diepte van het water weten, meet u de afstand van de transducer tot de waterlijn. Voer deze waarde in als een negatief getal.
![]()
- Als de transducer is geïnstalleerd op de waterlijn
- Selecteer Instellingen > Mijn vaartuig > Kielcompensatie.
- Selecteer
als de transducer is geïnstalleerd op de waterlijn, of selecteer
als de transducer is geïnstalleerd aan de onderkant van de kiel.
De watertemperatuurcompensatie instellen
U kunt de temperatuurcompensatie instellen om de temperatuur die wordt gemeten door een sensor met temperatuurmeting te compenseren.
- Meet de watertemperatuur met behulp van de transducer met temperatuurmeting die is aangesloten op het toestel.
- Meet de watertemperatuur met behulp van een andere thermometer of temperatuursensor waarvan bekend is dat deze nauwkeurig is.
- Trek de in stap 1 gemeten watertemperatuur af van de in stap 2 gemeten watertemperatuur.
Dit is de temperatuurcompensatie. Voer deze waarde in stap 5 in als een positief getal als de sensor die is aangesloten op het toestel de watertemperatuur kouder meet dan deze in werkelijkheid is. Voer deze waarde in stap 5 in als een negatief getal als de sensor die is aangesloten op het toestel de watertemperatuur warmer meet dan deze in werkelijkheid is. - Selecteer Instellingen > Mijn vaartuig > Temp. compensatie.
- Gebruik de pijltjestoetsen om de in stap 3 gemeten watertemperatuurcompensatie in te voeren.
Alarmen instellen
De pieperinstelling moet zijn ingeschakeld om alarmen hoorbaar te maken (De pieper instellen). Het niet instellen van hoorbare alarmen kan leiden tot persoonlijk letsel of schade aan eigendommen.
Navigatiealarmen
Selecteer Instellingen > Alarmen > Navigatie.
Aankomst: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer u zich binnen een bepaalde afstand of tijd van een afslag of een bestemming bevindt.
Ankerdrift: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer u een bepaalde driftafstand overschrijdt terwijl u voor anker ligt.
Uit koers: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer u zich over een bepaalde afstand uit koers bevindt.
Systeemalarmen
Wekker: Stelt een wekker in.
Toestelspanning: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer de batterij een bepaalde lage spanning bereikt.
GPS-nauwkeurigheid: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer de GPS-locatienauwkeurigheid buiten de door de gebruiker gedefinieerde waarde valt.
Sonaralarmen
Selecteer Instellingen > Alarmen > Sonar.
Ondiep water: Klinkt wanneer de waterdiepte ondieper is dan de opgegeven diepte.
Diep water: Klinkt wanneer de waterdiepte dieper is dan de opgegeven diepte.
Watertemp.: Klinkt wanneer de watertemperatuur meer dan ± 2°F (± 1,1°C) varieert. Alarminstellingen worden opgeslagen wanneer het toestel wordt uitgeschakeld.
LET OP: U moet het toestel aansluiten op een transducer met temperatuurmeting om dit alarm te kunnen gebruiken.
Vis: Stelt een alarm in dat afgaat wanneer het toestel een zwevend doel detecteert.
stelt het alarm in om af te gaan wanneer vissen van alle groottes worden gedetecteerd.
stelt het alarm in om alleen af te gaan wanneer middelgrote of grote vissen worden gedetecteerd.
stelt het alarm in om alleen af te gaan wanneer grote vissen worden gedetecteerd.
Eenhedeninstellingen
Selecteer Instellingen > Eenheden.
Systeemeenheden: Stelt de eenhedenindeling voor het toestel in.
Variatie: Stelt de magnetische declinatie in, de hoek tussen het magnetische noorden en het ware noorden, voor uw huidige locatie.
Noordreferentie: Stelt de richtingreferenties in die worden gebruikt bij het berekenen van koersinformatie. Waar stelt het geografische noorden in als de noordreferentie. Raster stelt het gridnoorden in als de noordreferentie (000º). Magnetisch stelt het magnetische noorden in als de noordreferentie.
Positie-indeling: Stelt de positie-indeling in waarin een bepaalde locatie-uitlezing wordt weergegeven. Wijzig deze instelling niet, tenzij u een kaart gebruikt die een andere positie-indeling specificeert.
Kaartdatum: Stelt het coördinatensysteem in waarop de kaart is gestructureerd. Wijzig deze instelling niet, tenzij u een kaart gebruikt die een andere kaartdatum specificeert.
Tijdsindeling: Stelt een tijdsindeling van 12 uur, 24 uur of UTC in.
Tijdzone: Stelt de tijdzone in.
Zomertijd: Stelt de zomertijd in op Uit of Aan.
Navigatie-instellingen
LET OP: Sommige instellingen en opties vereisen extra hardware.
Selecteer Instellingen > Navigatie.
Route-labels: Stelt het type labels in dat wordt weergegeven bij routeafslagen op de kaart.
Afslagtransitie activ.: Stelt de afslagtransitie in die moet worden berekend op basis van tijd of afstand.
Afslagtransitie tijd: Stelt in hoeveel minuten vóór de afslag u naar dit punt overgaat als de volgende etappe, wanneer Tijd is geselecteerd voor de instelling Afslagtransitie activ..
Afslagtransitie afstand: Stelt in hoe ver vóór de afslag u naar dit punt overgaat als de volgende etappe, wanneer Afstand is geselecteerd voor de instelling Afslagtransitie activ..
Route starten: Selecteert een startpunt voor de route-navigatie. U kunt Boot selecteren om de navigatie te starten vanaf de huidige locatie van het vaartuig, of Waypoints om te starten vanaf het eerste waypoint op de route.
De fabrieksinstellingen herstellen
LET OP: Hiermee worden alle instellingsgegevens die u hebt ingevoerd, verwijderd, inclusief alle Garmin Quickdraw Contours die u hebt gegenereerd.
Selecteer Instellingen > Systeem > Systeeminformatie > Resetten > Instellingen resetten > Ja.
Gebruikersgegevens delen en beheren
Met deze functie kunt u gegevens importeren van andere toestellen die mogelijk zijn gegenereerd door derden. Garmin doet geen uitspraken over de nauwkeurigheid, volledigheid of actualiteit van gegevens die door derden worden gegenereerd. Elk vertrouwen op of gebruik van dergelijke gegevens is voor uw eigen risico.
U kunt gebruikersgegevens delen tussen compatibele toestellen. Gebruikersgegevens omvatten waypoints, opgeslagen tracks, routes en begrenzingen.
- U kunt gegevens delen als twee compatibele toestellen zijn verbonden met behulp van de blauwe en bruine draden op de voedingskabel of met behulp van de kabel voor het delen van gebruikersgegevens (Verbinding maken met een Garmin-toestel om gebruikersgegevens te delen).
Verbinding maken met een Garmin-toestel om gebruikersgegevens te delen
U kunt het STRIKER Vivid-toestel verbinden met een compatibel Garmin-toestel om gebruikersgegevens te delen, zoals waypoints. Als de toestellen dicht bij elkaar zijn gemonteerd, kunt u de blauwe en bruine draden verbinden. Als de toestellen te ver uit elkaar zijn gemonteerd om de draden te kunnen bereiken, kunt u de toestellen verbinden met behulp van een kabel voor het delen van gebruikersgegevens (010-12234-06).
- Zorg ervoor dat beide toestellen zijn aangesloten op dezelfde aarde.
- Voer een actie uit:
- Als de toestellen dicht bij elkaar zijn gemonteerd, sluit u de blauwe draad van het eerste toestel aan op de bruine draad van het tweede toestel en sluit u de bruine draad van het eerste toestel aan op de blauwe draad van het tweede toestel.
- Als de toestellen niet dicht bij elkaar zijn gemonteerd, schaft u een kabel voor het delen van gebruikersgegevens (010-12234-06) aan en sluit u de toestellen aan volgens de instructies die bij de kabel zijn geleverd (Bedradingsschema van de kabel voor het delen van gebruikersgegevens).
- Selecteer op beide toestellen Gebruikersgegevens > Gegevens beheren > Gebruikersgegevens delen.
Gebruikersgegevens worden gedeeld tussen de verbonden toestellen. Als u Gebruikersgegevens wissen selecteert, worden gegevens verwijderd van beide verbonden toestellen.
Bedradingsschema van de kabel voor het delen van gebruikersgegevens

- Eerste toestel
- Kabel voor gebruikersgegevens
- Tweede toestel
| Onderdeel | Draadfunctie | Draadkleur |
| 1 | Gegevens | Blauw |
| 2 | Gegevens | Bruin |
| 3 | Aarde | Zwart |
| 4 | Gegevens | Groen |
| 5 | Gegevens | Wit |
Opgeslagen gegevens wissen
U kunt opgeslagen gebruikersgegevens uit het geheugen van het toestel verwijderen.
- Selecteer Gebruikersgegevens > Gegevens beheren > Gebruikersgegevens wissen.
- Selecteer een optie.
LET OP
Als u Alles selecteert, worden alle gegevens die u hebt opgeslagen verwijderd, met uitzondering van Garmin Quickdraw Contours-gegevens.
Als u bent verbonden met een ander toestel en Gebruikersgegevens delen is ingeschakeld, worden gegevens verwijderd van alle verbonden toestellen.
Uw toestel registreren met het serienummer
Als uw toestel geen Wi‑Fi-technologie heeft, kunt u zich registreren met het serienummer van het toestel. Als uw toestel Wi‑Fi-technologie heeft, moet u de ActiveCaptain app gebruiken om het toestel te registreren (Aan de slag met de ActiveCaptain app).
Bewaar de originele aankoopbon of een fotokopie ervan op een veilige plaats.
- Zoek het serienummer op de productverpakking of op het toestel.
- Ga naar my.garmin.com/registration.
- Meld u aan bij uw Garmin-account.
- Voer het serienummer in.
Specificaties
| Temperatuurbereik | Van -15° tot 55°C (van 5° tot 131°F) |
| Waterbestendigheid | IEC 60529 IPX7[1] |
| Ingangsspanning | Van 12 tot 20 Vdc |
| Nominale stroom | 1,5 A |
| Zekering | 3 A, 250 V snelwerkend |
| Draadloze frequentie en protocol[2][3] | Wi‑Fi, 2,4 GHz @ 22 dBm maximum |
Probleemoplossing
Mijn toestel schakelt niet in of blijft uitschakelen
Als het toestel onregelmatig uitschakelt of niet inschakelt, kan dit wijzen op een probleem met de stroomtoevoer naar het toestel.
Controleer de volgende punten om te proberen de oorzaak van het stroomprobleem op te lossen.
- Zorg ervoor dat de stroombron stroom levert.
U kunt dit op verschillende manieren controleren. U kunt bijvoorbeeld controleren of andere toestellen die door de bron worden gevoed, functioneren. - Controleer de zekering in de stroomkabel.
De zekering bevindt zich in een houder die deel uitmaakt van de rode draad van de stroomkabel. Controleer of de juiste zekering is geïnstalleerd. Raadpleeg het etiket op de kabel of de installatie-instructies voor de exacte zekeringgrootte. Controleer de zekering om er zeker van te zijn dat er nog steeds een verbinding is in de zekering. U kunt de zekering testen met een multimeter. Als de zekering goed is, geeft de multimeter 0 ohm aan. - Controleer of het toestel minimaal 12 Vdc ontvangt.
Om de spanning te controleren, meet u de vrouwelijke stroom- en aardaansluitingen van de stroomkabel op DC-spanning. Als de spanning minder is dan 12 Vdc, schakelt het toestel niet in. - Als het toestel voldoende stroom ontvangt, maar niet inschakelt, neemt u contact op met de productondersteuning van Garmin.
De zekering in de stroomkabel vervangen

- Open de zekeringhouder
. - Draai en trek aan de zekering om deze te verwijderen
![]()
- Plaats een nieuwe 3 A snelle zekering.
- Sluit de zekeringhouder.
Mijn toestel ontvangt geen GPS-signalen
Als het toestel geen satelliet-signalen ontvangt, kan dit verschillende oorzaken hebben. Als het toestel een grote afstand heeft afgelegd sinds de laatste keer dat het satellieten heeft ontvangen of langer dan een paar weken of maanden is uitgeschakeld, kan het toestel de satellieten mogelijk niet correct ontvangen.
- Zorg ervoor dat het toestel de meest recente software gebruikt. Zo niet, update dan de toestelsoftware (Software bijwerken met de ActiveCaptain app).
Mijn sonar werkt niet
- Duw de transducerkabel helemaal in de achterkant van het toestel.
Zelfs als de kabel lijkt te zijn aangesloten, moet u stevig duwen zodat deze volledig is geplaatst. - Druk op
, en zorg ervoor dat sonar is ingeschakeld. - Selecteer het juiste transducer type (Het transducer type selecteren).
Mijn toestel maakt geen waypoints op de juiste locatie
U kunt handmatig een waypointlocatie invoeren om gegevens over te brengen en te delen van het ene toestel naar het andere. Als u handmatig een waypoint hebt ingevoerd met behulp van coördinaten, en de locatie van het punt niet verschijnt waar het punt zou moeten zijn, komen de kaartdatum en de positie-indeling van het toestel mogelijk niet overeen met de kaartdatum en de positie-indeling die oorspronkelijk zijn gebruikt om het waypoint te markeren.
Positie-indeling is de manier waarop de positie van de GPS-ontvanger op het scherm verschijnt. Dit wordt gewoonlijk weergegeven als breedtegraad/lengtegraad in graden en minuten, met opties voor graden, minuten en seconden, alleen graden, of een van verschillende rasterindelingen.
Kaartdatum is een wiskundig model dat een deel van het aardoppervlak weergeeft. Breedte- en lengtegraden op een papieren kaart verwijzen naar een specifieke kaartdatum.
- Zoek uit welke kaartdatum en positie-indeling is gebruikt toen het oorspronkelijke waypoint werd gemaakt.
Als het oorspronkelijke waypoint van een kaart is gehaald, moet er een legenda op de kaart staan die de kaartdatum en positie-indeling vermeldt die is gebruikt om die kaart te maken. Meestal is dit te vinden in de buurt van de kaartsleutel. - Selecteer Instellingen > Eenheden.
- Selecteer de juiste kaartdatum en positie-indeling instellingen.
- Maak het waypoint opnieuw.
Mijn toestel geeft niet de juiste tijd weer
De tijd wordt ingesteld door GPS-positie en tijdzone-instelling.
- Selecteer Instellingen > Eenheden > Tijdzone.
- Zorg ervoor dat het toestel een GPS-fix heeft.
[1] Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water tot 1 m gedurende maximaal 30 minuten. Ga voor meer informatie naar www.garmin.com/waterrating.
[2] Niet beschikbaar op alle modellen.
Referenties
Download handleiding
Hier kunt u de volledige pdf-versie van de handleiding downloaden. Deze kan aanvullende veiligheidsinstructies, garantie-informatie, FCC-regels, enz. bevatten.
Download Garmin STRIKER VIVID / 5cv / 4 / 7 / 9 - Visvinderhandleiding
om in te zoomen.
om uit te zoomen.
of
om te beginnen met pannen.
en
om het bereik snel handmatig aan te passen.
om een afslag aan de route toe te voegen.
om een afslag aan de route toe te voegen.
stelt het alarm in om af te gaan wanneer vissen van alle groottes worden gedetecteerd.
stelt het alarm in om alleen af te gaan wanneer middelgrote of grote vissen worden gedetecteerd.
stelt het alarm in om alleen af te gaan wanneer grote vissen worden gedetecteerd.