PATRONEN BEWERKEN
e
Plaats de stof opnieuw in het borduurraam.
Opmerking
• Pas de positie van de stof aan, zodat het
borduurgebied voor het volgende patroon zich
binnen het borduurgebied bevindt.
1 Patroon dat eerst is geborduurd
2 Positie van het patroon dat daarna wordt
geborduurd
3 Borduurgebied
f
Bevestig het borduurraam aan de machine en druk
vervolgens op
g
Druk op
om het beginpunt in te stellen op het
midden boven aan het patroon.
h
Druk op
.
i
Druk op
46
a
c
.
en vervolgens op
.
j
Druk op
om het borduurraam te verplaatsen
zodat de draadmarkering op de stof is uitgelijnd met
het licht van de LED-aanwijzer.
*
Druk op
om met het licht van de LED-aanwijzer
de naaldpositie te controleren.
Memo
• Voor de nauwkeurige naaldpositie draait u het
handwiel langzaam naar u toe (tegen de klok in) om
de naald omlaag te zetten. Draai vervolgens het
handwiel van u af (met de klok mee) totdat de
markering op het handwiel boven staat. U kunt de
borduurarm niet verplaatsen als de markering op
het handwiel niet boven staat.
a
k
Druk op
.
l
Verwijder de draadmarkering.
m
Begin met borduren.
Instelling voor selectie van gebiedsfunctie
ongedaan maken (niet-borduren instelling)
U kunt de instelling voor selectie van de gebiedsfunctie
ongedaan maken (waarmee u opgeeft dat een garenkleur niet
moet worden geborduurd) toepassen op een deel van het
patroon met een specifieke kleur.
a
Druk op
op het borduurbewerkingsscherm.
1 Markering