Installatie
De doseerventielen beschikken over meerdere
configuraties voor bevestigingsgaten (zie
Afmetingen en montage op pagina 22),
waardoor ze ideaal zijn voor gebruik met
robotapparatuur of meerdere operaties met
een hoog productievolume en spruitstukken.
1. Controleer de doseerventielen op
transportschade. Als er schade is, verwittig
dan onmiddellijk het transportbedrijf.
2. Installeer compatibele toebehoren. Zie
Toebehoren op pagina 21 voor een lijst
van toebehoren en installatie-instructies.
OPMERKING: De uitlaatkraag (J) steunt
eveneens in de zitting. Volg de
Drukontlastingsprocedure op pagina 10
voordat u een spuit- of doseertip vervangt.
3. Bevestig het doseerventiel stevig aan de
montagebevestiging met behulp van
kopschroeven met inwendige zeskant; zie
Afmetingen en montage op pagina 22.
4. Koppel de luchtleidingen aan het
doseerventiel:
KENNISGEVING
Gebruik enkel luchtfittings die uitgerust zijn
voor een temperatuur gelijk aan of hoger
dan de werktemperatuur van het
vloeistofdoseersysteem. Luchtfittings
uitgerust voor een lagere temperatuur
kunnen smelten en schade veroorzaken
aan het doseerventiel.
a. Zie Technische gegevens op pagina
23 voor de maximale werkluchtdruk.
b. Koppel de luchtleiding aan de
luchtinlaat ingesteld op lucht open in het
luchtgedeelte (B). Zie F
pagina 7.
c. Koppel de luchtleiding aan de
luchtinlaat ingesteld op lucht gesloten in
het luchtgedeelte (B). Zie F
pagina 7.
3A2362D
. 2 op
IG
. 2 op
IG
5. Koppel de vloeistofleiding aan de npt
vloeistofinlaat (F) in het ventiellichaam.
Verwijder indien gewenst de plug uit de
andere inlaat (G) en sluit de
vloeistofterugstroomleiding voor
circulatiesystemen aan. Zie Technische
gegevens op pagina 23 voor de maximale
vloeistofwerkdruk.
6. Controleer of elke fitting vastzit om
luchtdruklekken aan het doseerventiel te
vermijden.
Regeling omgevingstemperatuur
Gebruik de temperatuurregelingspoorten om
de temperatuurregelingsvloeistof doorheen het
vloeistofgedeelte te laten stromen en het
materiaal te verhitten.
1. Identificeer welke twee poorten
toegankelijk zijn voor
temperatuurregelingsslangen.
2. Verwijder de pluggen van de twee
temperatuurregelingspoorten.
3. Sluit de inlaat- en uitlaatslangen aan op de
temperatuurregelingspoorten.
F
. 3: Temperatuurregelingspoorten
IG
Opstelling
TI17328a
9