5
Onderhoud
5.1
Algemeen
WAARSCHUWING!
Voordat u werkzaamheden aan het toestel uitvoert, schakelt u de stroom uit en beveiligt u het toestel
tegen herinschakeling.
Er zijn GEEN onderdelen beschikbaar waarmee in het veld interne componenten kunnen worden gere-
pareerd. Probeer het afgesloten deel van het apparaat niet te openen; dit is op de fabriek afgedicht ter
bescherming tegen gevaarlijke omgevingsinvloeden. Als de richtlijnen voor het verhelpen van
storingen in hoofdstuk 5.2 en 5.3 het probleem niet verhelpen, neem dan contact op met uw MSA-
vertegenwoordiger.
5.2
Problemen oplossen
De 4-20 mA uitgang biedt een beperkte hoeveelheid informatie voor diagnosedoeleinden. Extra
stappen voor het verhelpen van storingen worden hieronder beschreven.
Algemene leidraad storingen verhelpen
Indicatie
Sensor IR bron knippert niet
Sensor IR bron knippert, maar geen 4-20
mA signaal.
STORING mA uitgang
VERDUISTERING mA uitgang
Verhoogde gasuitlezing wanneer er geen
gas aanwezig hoort te zijn
Instabiel 4 mA signaal na het opstarten
en opwarmen
mA uitgangsstroom verandert niet
wanneer gas wordt toegevoerd
Handeling
Controleer de bedrading van de sensor en de faciliteit
volgens het hoofdstuk over installatie en zet dan de stroom
weer aan
Controleer de bedrading van de sensor en de faciliteit
volgens het hoofdstuk over installatie en zet dan de stroom
weer aan.
Controleer de voeding en start weer op.
Controleer of de kalibratiedop gedurende een langere
periode nog op de sensor was geplaatst.
Als een onderschrijdingsfout wordt aangegeven via de
HART interface, voer dan een nulpuntkalibratie uit.
Controleer of het optische pad niet is verduisterd of voer
onderstaande reinigingsprocedure uit.
Reinig het optische venster en spiegel met onderstaande
reinigingsprocedure.
Voer nulgas toe om te zien of de uitlezing naar nul daalt.
Als dat niet gebeurt, voert u een nulpunt- en spankalibratie
uit.
Controleer of de DC spanning tussen 18-32 VDC ligt. De
totale spanning, inclusief AC-componenten, moet lager
dan 32 VDC zijn.
Als de voeding binnen 18-32 VDC ligt, controleer dan op
ruis op in ingangsstroomlijn. Gebruik van een extern filter
kan in een dergelijk geval noodzakelijk zijn.
Controleer of de gasstroom niet wordt geblokkeerd.
Inspecteer visueel de gasinlaten en het reduceerventiel.
Controleer of de kalibratiemodus niet aan staat of een van
de gedefinieerde mA uitgangsconcentraties zoals
beschreven in hoofdstuk 4.1.
Controleer of het toestel niet in vaste stroomsterktemodus
is (commando via HART).
PrimaX® IR
Onderhoud
NL
28