nl
Om de Wilo Net verbinding tot stand te brengen, moeten de 3 klemmen H, L, GND met een communicatieka-
bel van pomp - naar pomp - naar gateway - naar pomp worden verbonden. Gebruik afgeschermde kabels bij
kabellengtes ≥ 2 m.
Er kunnen maximaal 20 deelnemers op Wilo Net 1 worden aangesloten. Dubbelpompen bestaan uit 2 deelne-
mers. Let er bij dubbelpompen bovendien op dat er in een Wilo Net segment maximaal 5 dubbelpompen
kunnen worden gebruikt. Als er maximaal 5 dubbelpompen in een Wilo Net segment worden gebruikt, kun-
nen er daarnaast echter nog wel maximaal 10 enkelpompen worden aangesloten.
Met toekomstige softwarefuncties van de gateway kunnen er nog 20 deelnemers op Wilo Net 2 worden aan-
gesloten. De beschikbare Wilo Net ID's worden in het tweede segment opnieuw gegenereerd en kunnen dus
overeenkomen met in Wilo Net 1 gebruikte ID's. Als de deelnemers correct met de Wilo-Smart Gateway zijn
verbonden en de Wilo Net ID's correct zijn gegenereerd, dan herkent de Wilo-Smart Gateway automatisch de
aangesloten apparaten. De Wilo-Smart Gateway begint dan automatisch de gegevens van de aangesloten
apparaten over te dragen naar de Wilo-Smart Cloud.
LET OP
Bij Stratos MAXO moet de deelnemer op de gateway ervoor zorgen dat de softwareversie van
de Stratos MAXO minstens V 01.04.00.00 of hoger is. Als de softwareversie 01.03.xx.xx of
lager is, dan moet de software van de pompen worden geüpdatet, zodat deze via het Wilo
Net met de gateway kunnen communiceren.
7.2.4
Aansluiten van de gateway op het internet
Om ervoor te zorgen dat de Wilo-Smart Gateway de Wilo-Smart Cloud kan bereiken, moet de gateway via de
LAN 2-aansluiting het internet kunnen bereiken.
Sluit daarvoor de LAN 2-aansluiting met een Ethernet-patchkabel (met RJ45-stekkers) aan op een Ethernet-
aansluiting waarop het internet bereikbaar is.
De Ethernet-aansluiting kan een netwerkaansluiting van een gebouwinstallatie zijn waarmee toegang tot
het internet mogelijk is.
Het kan echter ook een internetrouter zijn die bijv. via DSL of G4/LTE internet ter beschikking stelt.
De gateway heeft enkele diensten en bereikbare adressen nodig om succesvol een tunnel naar de Wilo-
Smart Cloud te kunnen realiseren. Direct op een internetrouter zal dit over het algemeen zonder verdere ex-
tra maatregelen functioneren.
Als de gateway in een administratief netwerk moet worden geïntegreerd, dan helpt de volgende informatie
de beheerders om het netwerk goed te configureren:
•
DNS-dienst (voorinstelling (kan gewijzigd worden): 8.8.8.8)
•
NTP-dienst (voorinstelling (kan gewijzigd worden): pool.ntp.org)
•
iotqwupdate.wilo.com, protocol HTTP/HTTPS, poort 80 en 443
•
wilo-universe-p-ioth.azure-devices.net, protocol AMQPS, poort 5671
•
global.azure-devices-provisioning.net, protocol MQTT, poort 443 en 8883
LET OP
De LAN 1-aansluiting is niet bedoeld voor aansluiting op een netwerk met of zonder inter-
nettoegang, maar uitsluitend voor een tijdelijke, lokale aansluiting van een computer/laptop
om de gateway te configureren.
De DHCP-service van de gateway kan bij het aansluiten op een netwerk conflicten met een
andere DHCP-service veroorzaken. Dit kan mogelijk tot netwerkstoringen leiden (Fig. 4).
14
Inbouw- en bedieningsvoorschriften • Wilo-Smart Gateway • Ed.03/2024-11