Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Min. Debiet Verwarmingswater; Vorstbeveiliging; Elektrische Aansluiting; Aansluiting Aanvraagvoeler - Bosch Cs5000Aw 38 Or Montage- En Gebruiksaanwijzing

Lucht-water-warmtepomp
Inhoudsopgave
7.2.1

Min. debiet verwarmingswater

Het min. debiet verwarmingswater van de warmtepomp moet in elke be-
drijfstoestand van de verwarmingsinstallatie worden gegarandeerd. Deze
kan b.v. door installatie van een dubbele differentiedrukloze verdeler of van
een overloopventiel worden bereikt. De instelling van een overloopventiel
wordt in het hoofdstuk inbedrijfstelling uitgelegd. Een daling onder het mi-
nimumdebiet van het verwarmingswater kan de warmtepomp onherstelbaar
beschadigen doordat de plaatwarmtewisselaar in de koelkring bevriest.
Het nominale debiet wordt afhankelijk van de max. aanvoertemperatuur
aangegeven in de apparaatinformatie en moet bij de planning in acht wor-
den genomen. Het opgegeven min. debiet verwarmingswater voor de
pompdimensionering (zie Apparaatinformatie) moet tijdens het ontdooien
en bij de koelmodus worden gegarandeerd.
Een ingebouwde debietschakelaar dient uitsluitend voor de uitschakeling
van de warmtepomp bij een buitengewone en abrupte daling van het ver-
warmingswaterdebiet en niet voor de bewaking en beveiliging van het nomi-
nale debiet.
7.2.2

Vorstbeveiliging

Bij warmtepompinstallaties waarbij vorstvrijheid niet kan worden gegaran-
deerd, moet een mogelijkheid tot leegmaken (zie afbeelding) worden ge-
monteerd. De verwarmingsbuizen buiten moeten extra worden geïsoleerd.
Indien de warmtepompmanager en de verwarmingscirculatiepomp bedrijfs-
klaar zijn, werkt de vorstbeveiligingsfunctie van de warmtepompmanager.
Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of stroomuitval moet de instal-
latie op drie plaatsen (zie afbeelding) geleegd en zo nodig uitgeblazen wor-
den.
Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet kan worden herkend
(vakantiehuis), moet de verwarmingskring met een geschikt antivriesmiddel
(zoals bijv. polypropyleenglycol) in de door de fabrikant van het antivries-
middel aangegeven concentratie worden gebruikt.
3
7.3

Elektrische aansluiting

In het totaal moeten bij de warmtepomp 3 leidingen/kabels worden ge-
plaatst:
n
De vermogensaansluiting van de warmtepomp wordt via een conventi-
onele 5-aderige kabel aangesloten.
CS5000AW 38 OR – 6721835138 07/2022
Let op het rechts draaiveld: bij een verkeerde bedrading wordt het op-
starten van de warmtepomp verhinderd. Een desbetreffende aanwij-
zing wordt in de warmtepompmanager weergegeven (bedrading aan-
passen).
n
n
De communicatiekabel is noodzakelijk voor de werking van buiten op-
gestelde lucht/water-warmtepompen. Hij moet geschermd zijn en ge-
scheiden van de voedingskabel worden geplaatst.
7.3.1
Bij de warmtepompmanager is de aanvraagvoeler R2.2 (NTC 10) geleverd.
Hij moet afhankelijk van het gebruikte hydraulische systeem worden inge-
2
bouwd (zie bijlage Integratieschema's).
1
Als er geen aanvraagvoeler wordt aangesloten, dan is bij een communicatie-
onderbreking met de warmtepompmanager ook geen regeling van de twee-
de warmtegenerator mogelijk.
De in de warmtepomp ingebouwde retourvoeler R2 is bij een werkende
compressor actief en hij mag niet worden afgeklemd.
De kabel moet ter plekke beschikbaar worden gesteld en de draad-
doorsnede moet worden gekozen conform de vermogensopname van
de warmtepomp (zie bijlage apparaatinformatie) alsmede de betref-
fende VDE- (EN-) en VNB-voorschriften. In de vermogensvoeding voor
de warmtepomp moet een alpolige uitschakeling met een contactope-
ningsafstand van minstens 3 mm (bijv. EVB-contactor, vermogenscon-
tactor) worden aangebracht.
Een 3-polige zekeringautomaat, met gemeenschappelijke uitschake-
ling van alle buitenkabels (uitschakelstroom volgens apparaatinforma-
tie) zorgt, rekening houdend met de dimensionering van de interne be-
drading, voor bescherming tegen kortsluiting. De relevante compo-
nenten in de warmtepomp bevatten een interne bescherming tegen
overbelasting.
We adviseren de installatie van een afzonderlijke foutstroomveilig-
heidsinrichting (FI-klasse B) conform de in het land geldende normen.
Bij het aansluiten moet het rechtsdraaiende veld van de lastvoeding
gegarandeerd worden.
Fasenvolgorde: L1, L2, L3.
LET OP!
De stuurspanning wordt via de warmtepompmanager gevoed.
Hiervoor moet een 3-polige leiding overeenkomstig de elektrische do-
cumentatie worden geplaatst. Meer informatie over de bedrading van
de warmtepompmanager vindt u in de gebruiksaanwijzing ervan.
Een afgeschermde communicatieleiding (bijv. dataleiding; afge-
schermd: J-Y(ST)Y 2  ×  2  ×  0,6, niet in de leveringsomvang inbegre-
pen) verbindt de warmtepompmanager met de in de warmtepomp in-
gebouwde koelcircuitregelaar. Nadere aanwijzingen vindt u in de ge-
bruiksaanwijzing van de warmtepompmanager en de elektrische docu-
mentatie.
OPMERKING

Aansluiting aanvraagvoeler

OPMERKING
Montage
11
Inhoudsopgave
loading

Deze handleiding is ook geschikt voor:

Cs5000aw

Inhoudsopgave