Installatie- en gebruiksaanwijzing
4.6. Alarmingangen
De besturing beschikt over 2 alarmingangen. Op klem X11-2 wordt het condensaatafvoeralarm aangesloten.
Op klem X13-2 en X13-3 wordt een drukverschilalarm optioneel aangesloten. Dit wordt niet geconfigureerd
voor systemen van het type DRYPOINT
verbreekcontacten. Dit betekent dat als er geen alarmingang geactiveerd is, er een jumper moet worden
geconfigureerd. Verbreekcontacten worden gebruikt om draadbreuk te waarborgen.
Als er een alarm wordt geactiveerd, schakelt deze de alarmuitgang in (klem X8). De uitgang schakelt een
potentiaalvrij contact in (omschakeling). Verder wordt de gebruiker geïnformeerd via een rode LED in het
behuizingsdeksel (standaard en lastafhankelijke besturing).
4.7. Software gegenereerd alarm (alleen met dauwpuntbesturing)
Er zijn verschillende beveiligingsfuncties in de besturingsstroom. In sommige foute gevallen worden alarmsituaties
geactiveerd. Dit heeft invloed op de volgende functies:
•
Open dauwpunttransmitter
•
Kortgesloten dauwpunttransmitter
•
Dauwpunt vooralarm
•
Dauwpuntalarm
4.8. Intermitterende werking
Ala via de klemmen X12-2 en X12-3 een potentiaalvrij contact van de compressor is aangesloten (opent wanneer
de compressor draait), dan is de intermitterende werking actief (zie ook „2.3.2.5. Intermitterende werking").
Vanaf het begin van de drukopbouw fase zal de compressorlooptijd worden toegevoegd. Aan het einde van de
adsorptiefase wordt vervolgens geëvalueerd om te bepalen of de looptijd groter of kleiner dan de ingestelde factor
bijv. 1 min. is Als deze tijd niet is bereikt, sluit de besturing de regeneratiekleppen en gaat in STAND-BY-modus.
Als de compressor opnieuw begint met de drukopbouw (er wordt weer lucht verwijderd) dan loopt het
programmaverloop verder en de besturing blijft werken.
4.9. In geval van een stroomstoring
De besturing heeft een intelligent data back-up systeem. Als de stroomvoorziening hapert of zelfs helemaal uitvalt
dan voert de besturing een data back-up uit. Alle benodigde informatie wordt bewaard.: Na het weer inschakelen
van de netspanning, voert de besturing een drukopbouw uit en gaat op die plaats verder waar de onderbreking
heeft plaatsgevonden.
5. Inbedrijfstelling
5.1. Eerste inbedrijfstelling
Voor de ingebruikname van het systeem, moet het drukvat met de nodige veiligheidsvoorzieningen, als beveiliging
tegen te hoge druk, veiligheidsklep, etc. aanwezig zijn.
Deze onderdelen worden niet meegeleverd door de fabrikant.
Om fouten te vermijden tijdens de eerste inbedrijfstelling, raden we aan om de eerste ingebruikname uit te laten
voeren door de klantenservice van de fabrikant.
Voer de initiële inbedrijfstelling, met inachtname van de gegeven instructies (zie „1.4. Transport en opslag"), op de
hieronder beschreven volgorde uit:
1. Controleer of de kleppen A en B in de omloopleiding (optie) gesloten zijn en dat de elektronische besturing is
uitgeschakeld.
34
AC. Bij beide alarmingangen gaat het normaal gesproken om
®
DRYPOINT
AC 410 – 495 | DRYPOINT
®
NL
AC 410 – 495 MS
®