Gebruikershandleiding | Optyma™ control AK-RC 111 enkelfasig
4.11 De elektronische controller
AK-RC 111 inschakelen
4.12 Condities voor koude/hete
activering/deactivering
4.13 Handmatige activering/
deactivering ontdooiing
4.14 Ontdooiing met
verwarmingselement en
temperatuurregeling
4.15 Heetgasontdooiing
4.16 Pump-downfunctie
4.17 Wachtwoordfunctie
5.0 Modbusverbinding
5.1 Netconfiguratie met
Modbus-RTU-protocol
12 | BC309238530328nl-000101
Nadat u de elektronische regelaar correct hebt bedraad, start u de regelaar op met 230 V AC; het
displaypaneel genereert dan meteen een pieptoon en alle leds lichten enkele seconden op.
In de koelmodus (mOd=0) activeert de AK-RC 111-regelaar de compressor wanneer de temperatuur
in de koelruimte hoger wordt dan de instelling + differentieel (r0); de compressor wordt gedeactiveerd
wanneer de temperatuur in de koelruimte lager is dan de ingestelde waarde.
Zie hoofdstuk 4.16 voor de condities voor activering/deactivering van de compressor als de pump-
downfunctie is geselecteerd (parameter AU1/AU2 = 4/-4).
In de verwarmingsmodus (mOd=1) activeert de AK-RC 111-regelaar de warmteuitgang (COMPR-
uitgang) wanneer de temperatuur in de koelruimte lager wordt dan de instelling-differentieel (r0);
de warmteuitgang (COMPR-uitgang) wordt gedeactiveerd wanneer de temperatuur in de koelruimte
hoger is dan de ingestelde waarde.
Voor ontdooiing drukt u de daarvoor bestemde toets (zie hoofdstuk 5.2) in om het relais van de
elementen te activeren. Ontdooiing vindt niet plaats als de instelling voor einde ontdooiing (d2) lager
is dan de temperatuur die wordt gemeten door de verdampersensor. De ontdooiing wordt beëindigd
wanneer de eindtemperatuur voor de ontdooiing (d2) of de maximale duur van ontdooiing (d3) is
bereikt of wanneer de ontdooiing handmatig wordt gestopt (knop beëindigen ontdooiing of digitale
ingang).
Stel de parameter d1 in op '2' om de ontdooiing met de verwarmer op tijd te beheren met
temperatuurcontrole. Tijdens de ontdooiing wordt de uitgang geactiveerd wanneer de temperatuur
van de verdamper lager is dan d2. De ontdooiing stopt na d3 minuten. Zo worden energiebesparing
en een beter ontdooiingsproces mogelijk gemaakt.
Stel parameter d1 in op '1' om te ontdooien via een omgekeerde cyclus.
De compressor- en ontdooirelais worden geactiveerd gedurende de ontdooifase.
Om een juiste regeling van het systeem te garanderen, moet de installateur de ontdooi-uitgang
gebruiken: het moet mogelijk zijn om het magneetventiel voor de omgekeerde cyclus te openen en
om het magneetventiel voor vloeistof te sluiten.
Voor capillaire systemen (zonder thermostatisch ventiel) hoeft het magneetventiel voor de
omgekeerde cyclus slechts te worden geregeld via het ontdooirelais.
De pump-downfunctie is geactiveerd wanneer parameter AU1/AU2 = 4/-4.
Sluit de pump-downpressostaat aan op digitale ingang die is geconfigureerd als pump-down
(In1 of In2 = 4/-4). De compressor wordt nu direct geregeld door de pressostaat. Sluit het
verdampermagneetventiel aan op het AUX1- (of AUX2-)relais. Het magneetventiel wordt nu direct
geregeld door de thermostaat.
Wanneer de parameter PA wordt ingesteld op een andere waarde dan 0, wordt de beveiligingsfunctie
geactiveerd. Zie parameter P1 voor de verschillende beveiligingstypen.
Wanneer PA wordt ingesteld, start de bescherming na twee minuten inactiviteit. Op het display
verschijnt 000. Gebruik de toetsen omhoog/omlaag om het getal te wijzigen en gebruik de insteltoets
om te bevestigen.
Gebruik het universele nummer 100 als u het wachtwoord niet meer weet.
Volg het onderstaande schema voor RS-485-aansluitingen met Modbus-RTU-protocol.
AK-RC 111
© Danfoss | DCS (vt) | 2020.03