De pomp doorspoelen vóórdat u hem voor
het eerst gebruikt
De pomp is getest met lichte olie die in de pomp is achter-
gebleven ter bescherming. Als het materiaal dat u gaat ver-
pompen door de olie verontreinigd zou kunnen raken, dan
moet de olie eerst uitgespoeld worden met een geschikt
oplosmiddel. Zie Spoelen op bladzijde 11.
De pomp starten en afstellen
WAARSCHUWING
GEVAAR VAN BEWEGENDE DELEN
Zie Afb. 3. De voorpompzuiger (25) en de
zuiger van de luchtmotor (die zich achter
de deksels van de luchtmotor (AA) bevindt,
bewegen tijdens de werking.
Houd uw handen en vingers uit de buurt van de voorpomp-
zuiger (25) tijdens de werking en ook steeds als de pomp
wordt opgeladen met lucht. De voorpompzuiger schuift uit
tot voorbij de inlaatcilinder (23) om materiaal in de pomp
te trekken en kan een hand of vinger amputeren die tussen
de zuiger en de inlaatcilinder vast komt te zitten. Volg de
Drukontlastingsprocedure op blz. 9, voordat u de voor-
pompzuiger nakijkt, leeghaalt of reinigt.
De pomp nooit laten draaien zonder dat de dekselplaten
van de luchtmotor (AA) geplaatst zijn.
1.
Plaats de spuittip nog niet!
2.
Zorg voor de aanvoer van materiaal naar de pomp
conform de vereisten van uw systeem.
3.
Zie Afb. 1. Sluit het luchtregelventiel van de pomp (H).
4.
Zet het hoofontluchtingsventiel met de rode hendel (V)
en het luchtreduceerventiel van de pomp (G).
5.
Houd een metalen gedeelte van het spuitpistool/de
kraan (N) stevig tegen een geaard metalen vat gedrukt,
en houd de trekker aangetrokken.
10 308017
Bediening
6.
Open het luchtreduceerventiel (H) langzaam, totdat de
pomp start.
7.
Laat de pomp langzaam draaien, totdat alle lucht uit
de pomp en de materiaalleidingen verdreven is.
8.
Laat de trekker van het pistool/de kraan los en zet hem
op de trekkerbeveiliging. Door de druk moet de pomp
afslaan.
INJECTIEGEVAAR
Om het risico van vloeistofinjectie te verlagen, mag u het
ontluchtingsgat onder in het huis van het onlastventiel
(43) niet met uw handen of vingers afdekken tijdens het
voorpompen. Open en sluit de ontluchtingsplug (35) met
een sikkelvormige sleutel. Houd uw handen uit de buurt
van het ontluchtingsgat.
9.
Als de pomp niet goed voorpompt, open dan de ont-
luchtingsplug (35) een klein stukje. Gebruik het ont-
luchtingsgat onder in het huis van het onlastventiel (43)
als een voorpompventiel, tot het materiaal bij het gat
verschijnt. Zie Afb. 3. Sluit de plug (35).
OPMERKING: Ook bij het wisselen van het materiaalvoor-
Laat de pomp nooit drooglopen. Een droge pomp zal snel
harder gaan lopen, en mogelijk schade veroorzaken. Als
uw pomp te snel loopt, stop hem dan meteen en controleer
de materiaalaanvoer. Als het materiaalvat leeg is en er
lucht in de leidingen gepompt is, vul dan het vat en vul ook
de pomp en de leidingen weer, of spoel door en laat pomp
en leidingen gevuld met een geschikt oplosmiddel. Zorg
dat er geen lucht achterblijft in het materiaalsysteem.
WAARSCHUWING
raadvat terwijl slang en pistool/de kraan al
gevuld waren, kan het openen van plug
van de ontluchtingskraan (35) helpen om
de pomp weer te vullen en eventuele lucht
te laten ontsnappen voordat het de slang
naar het pistool in gaat. Sluit de plug weer
zodra alle lucht is verdreven.
VOORZICHTIG