7.
Druk op de linkerknop om Instellingen te
verlaten.
De tractie-aandrijving
afstellen voor de
neutraalstand
De machine mag niet kruipen als u het tractiepedaal
loslaat. Als de machine toch kruipt, moet u de
tractieaandrijving afstellen voor de neutraalstand.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de motor uit, zet de
snelheidsregeling op Laag, en laat de
maai-eenheden neer.
2.
Trap alleen het rechterrempedaal en stel de
parkeerrem in werking.
3.
Krik de linkerkant van de machine omhoog
totdat het linkervoorwiel vrij komt van de vloer
van de werkplaats. Zorg ervoor dat de machine
steunt op de rustpunten van de krik om te
voorkomen dat de machine per ongeluk valt;
zie
Specificaties (bladz. 26)
bepalen (bladz.
59).
4.
Start de motor en laat deze laag stationair lopen.
5.
Draai aan de contramoeren op het uiteinde
van de stang en beweeg de tractiestang naar
voren als de machine voorwaarts kruipt, of naar
achteren als de machine achterwaarts kruipt,
totdat de machine niet meer kruipt
en
Figuur
141).
Figuur 140
en
De krikpunten
(Figuur 140
g370368
77
Figuur 141
1. Contramoeren
2. Kantelinrichting van
tractie-eenheid
6.
Als het wiel niet meer draait, draait u de
contramoeren vast om de afstelling te borgen.
7.
Zet de motor af en verwijder het sleuteltje.
8.
Haal de assteunen weg en laat de machine neer
op de grond.
9.
Maak een proefrit met de machine om er zeker
van te zijn dat deze niet kruipt.
Uitlijning van de
achterwielen controleren
Onderhoudsinterval: Om de 800 bedrijfsuren/Jaar-
lijks (houd hierbij de kortste periode
aan)
1.
Maak de machine klaar voor onderhoud; zie
Vóór onderhoudswerkzaamheden (bladz.
2.
Meet de afstand hart-op-hart van het toespoor
(ter hoogte van de assen) aan de voorzijde en
de achterzijde van de stuurwielen.
Opmerking:
De afstand aan de voorzijde moet
3 mm korter zijn dan de gemeten afstand aan de
achterzijde
(Figuur
3. Tractiestang
4. Uiteinde van stang
142).
g370369
57).