Aandrijfsysteem onderhouden
De bandenspanning controleren
Een te lage bandenspanning vermindert de stabiliteit van de machine op hellingen.
Dit kan leiden tot kantelen, met de dood of ernstig letsel tot gevolg.
Pomp de banden niet te zacht op.
Opmerking:
hierdoor kan de machine optimale maaiprestaties leveren en goed functioneren.
1. Meet de bandenspanning van elke band. De luchtdruk in de banden moet tussen 0,83
en 1,03 bar zijn.
2. Indien nodig de banden oppompen of aflaten tot u 83 tot 103 kPa (12 tot 15 psi) meet.
De wielmoeren aandraaien.
Draai de wielmoeren kruislings aan met 94 tot 122 N∙m.
Als de wielmoeren niet steeds de juiste torsie hebben, kan dit leiden tot ernstig letsel
of de dood.
Zorg dat de wielmoeren met de juiste torsie zijn aangedraaid.
De moeren van de asnaaf vastdraaien
1. Draai de moeren van de voorasnaaf aan met een torsie van 407 tot 542 N·m.
2. Als uw machine is uitgerust met CrossTrax
moeren van de achterasnaaf aan met een torsie van 366 tot 447 N·m.
Uitlijning van de achterwielen controleren
1. Draai het stuurwiel om de achterwielen recht naar voren te laten wijzen.
2. Maak de machine klaar voor onderhoud.
3. Meet op ashoogte de afstand hart-op-hart van het toespoor aan de voorzijde en de
achterzijde van de stuurwielen.
Onderhoud: Aandrijfsysteem onderhouden
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat alle banden steeds de aanbevolen bandenspanning hebben,
WAARSCHUWING
®
aandrijving op alle wielen, draait u de
Pagina 6–32
3467-510 C