Fig. 6
Montageschroeven PCB
3.2
Elektrische installatie
De installatielocatie moet worden gekozen in overeenstemming met omgevingsvoorwaarden,
vermeld in hoofdstuk 9 – Technische gegevens.
WAARSCHUWING!
De regeleenheid moet worden geïnstalleerd in overeenstemming met alle geldende richtlijnen,
anders is de veilige werking van de regeleenheid niet gegarandeerd.
Gebruik de interne aardverbinding om de instrumenten tijdens de installatie te aarden.
Indien een externe aardverbinding wordt toegestaan of door de plaatselijke autoriteiten wordt
vereist, dient dit alleen als een extra aarde (Zie Bijlage 12 Fig. 18 ).
De regeleenheden zijn getest en ontwikkeld in overeenstemming met de EMC-richtlijnen en de
actuele normen EMC (EN 50270). Om te kunnen voldoen aan de EMC-normen, moeten tijdens
de installatiefase verschillende regels in acht worden genomen:
•
Voorkom installatie in gebieden waar sterkte elektromagnetische velden voorkomen.
•
Om regeleenheden aan te sluiten op de netvoeding, moet een storingsvrije aarde of storing-
vrije potentiaalvereffeningsleiding worden voorzien.
•
De gebruiker moet zorgen voor een juiste voedingsspanning overeenkomstig de EMC-richt-
lijnen.
•
De hoofvoedingsbron mag niet blootstaan aan spanningsvariaties die buiten de grenzen
gespecificeerd in deze gebruiksaanwijzing vallen.
•
De netvoedingsbron moet vrij zijn van pieken en plotselinge spanningsveranderingen als
gevolg van zware elektrische belastingen en storingen veroorzaakt door inductieve of capaci-
tieve belastingen, valse contacten en sterke elektromagnetische interferentie
•
Alle detector- en regelkabels moeten afgeschermd zijn. Afgeschermde kabels moeten
tenminste 80 % afscherming hebben.
•
Afgeschermde kabels moeten in een groep gelegd worden. Indien de kabellengten verlengd
worden door middel van afgeschermde aansluitdozen, en moeten de interne verbindingen zo
kort mogelijk gehouden worden.
•
Indien de toestellen stroom krijgen via een DC-voeding, moet de voedingskabel correct afge-
schermd zijn.
•
Regel- en detectorkabels moeten gescheiden van voedingskabels geïnstalleerd worden met
een minimale afstand van 30 cm.
•
Wanneer externe voorzieningen (hoorns, flitslampen, motoren enz.) worden gebruikt moeten
deze worden afgeschermd tegen radiofrequenties en moeten overeenkomstig de EMC-richt-
Model 9010/9020 SIL
Installatie
NL
20