Bediening
Koeling
Er kan worden geregeld op basis van de volgende principes:
Directe expansie
De temperatuur wordt geregeld door het starten/stoppen van
een compressor of door het openen/sluiten van een magneetklep
in de vloeistofleiding.
Brine (vloeistofkoeling
Hier wordt de temperatuur geregeld door het openen/sluiten van
een magneet/motor klep in de brine toevoer.
Temperatuurregeling
De temperatuur in het koelobject wordt gemeten door middel
van 1 of 2 sensoren welke zich bevinden in de aanzuiglucht (S3)
en/of uitblaaslucht (S4) van de verdamper. Een instelling voor
de thermostaat, alarmthermostaat en displayuitlezing bepaald
hoeveel de sensoren de verschillende functies beïnvloeden. Een
instelling van 50% geeft een gelijkwaardige waarde van beide
sensoren. Het is niet verplicht om beide sensoren te plaatsen.
De temperatuurregeling kan op twee manieren plaatsvinden:
- AAN / UIT regeling met bijbehorende differentie
- modulerende temperatuurregeling waarbij de temperatuur
binnen nauwe grenzen continue wordt onderhouden.
Modulerende temperatuurregeling kan alleen in centrale syste-
men of brinesystemen.
In principe is de modulerende regeling hetzelfde als hierboven
beschreven, maar wordt nu uitgevoerd met een PI functie. Dit re-
sulteert in een gereduceerde fluctuatie van de regeltemperatuur
en een zeer stabiele belasting, met een constante luchtvochtig-
heid tot gevolg. De regeling zorgt voor een constante tempera-
tuurregeling met een temperatuurwaarde die halverwege de
in- en uitschakelwaarde van de thermostaat ligt.
De bedrijfsparameters van de PI regeling worden automatisch
geoptimaliseerd via vooringestelde aan- en uitwaarden en de
openingsgraad van de klep.
De differentie beinvloedt de versterking van de PI regeling en
kan, om een stabiele regeling te garanderen, niet lager worden
ingesteld dan 2K.
Bij decentrale installaties dient altijd de AAN / UIT regeling
geselecteerd te worden.
In centrale installaties kan voor één van beide regelingen worden
gekozen.
Temperatuurbewaking
Net als voor de thermostaat, kan ook voor de alarmthermostaat
een weging tussen de S3 en S4 sensor worden ingesteld, zodat
kan worden bepaald welke sensor de meeste invloed heeft
op de alarmbewaking. Minimum- en maximumwaarden en
Periodetijd, n63
alarmvertragingen kunnen worden ingesteld. Voor na een
ontdooiing, schoonmaakactie of opstart kan een langere
alarmvertraging voor hoge temperatuur worden ingesteld.
4
Handleiding RS8EU210 © Danfoss 05-2008
AK-CC 450