7. PROBLEEMOPLOSSING
WAARSCHUWING!
Raadpleeg de hoofdstukken Veiligheid.
7.1 Wat te doen als...
Probleem
Je kunt het apparaat niet inschake‐
len.
Je kunt het apparaat niet inschake‐
len.
De lamp werkt niet.
Het helderheidsniveau of de licht‐
kleurtemperatuur is niet zoals be‐
schreven in de instructies.
Het apparaat absorbeert niet ge‐
noeg dampen.
Het
-indicatielampje knippert
drie keer snel en de AutoSense-
functie start niet.
Het
-indicatielampje knippert
gedurende drie seconden snel rood
en de AutoSense-functie start niet.
Mogelijke oorzaak
Het apparaat is niet aange‐
sloten op een stroomvoorzie‐
ning of het is verkeerd aan‐
gesloten.
Gebrek aan elektrische voe‐
ding.
De lamp is defect.
Onjuiste instelling van Per‐
fect illumination.
De lamp is defect.
De motorsnelheid is niet vol‐
doende voor de optredende
dampen.
De functie is permanent ge‐
deactiveerd.
Er is een storing.
261
Oplossing
Controleer of het apparaat goed is aange‐
sloten op de elektriciteitsvoorziening.
Controleer de zekering of de hoofdschake‐
laar. Als de zekering of de schakelaar het
circuit blijft onderbreken, neem dan contact
op met een gekwalificeerde elektricien.
Neem contact op met een erkend service‐
centrum.
Raak het symbool
aan om te controle‐
ren of je alle drie de kleurtemperaturen kunt
wijzigen.
Neem contact op met een erkend service‐
centrum.
Verhoog de snelheid van de motor.
Activeer de functie. Raadpleeg AutoSense
in het hoofdstuk 'Dagelijks gebruik'.
Neem contact op met een erkend service‐
centrum.