Alle communicatie-interfaces in de klemmenkast (analoge ingangen, digitale ingangen, bus Wilo Net, SSM en
SBM) voldoen aan de SELV-standaard.
SSM en SBM mogen ook met niet-SELV-conforme aansluitingen en spanningen (tot 250 V AC) worden ge-
bruikt, zonder dat dit gebruik negatieve invloed heeft op de SELV-conformiteit van de resterende communi-
catieaansluitingen in de klemmenkast.
Zorg voor een correct kabelgeleiding en scheiding in de klemmenkast zodat de SELV-conformiteit van ande-
re kabels gewaarborgd blijft.
LET OP
Zie hoofdstuk „Vereisten [" 34]"
7.5
Analoge ingang (AI1 of AI2) – lila klemmenblok
Analoge signaalbronnen worden bij gebruik van AI1 op de klemmen 12 en 13, bij gebruik van AI2 op de klem-
men 22 en 23 aangesloten.
Bij de signalen 0 – 10 V, 2 – 10 V, 0 – 20 mA en 4 – 20 mA moet daarbij worden gelet op de polariteit.
Een actieve sensor kan via de pomp met 24 V DC worden gevoed. Daartoe de spanning aan de klemmen
+24 V (11) en GND I (12) aftappen.
LET OP
De 24 V DC-voedingsspanning is pas beschikbaar wanneer de analoge ingang AI1 of AI2 op
een soort gebruik en een signaaltype is geconfigureerd.
De analoge ingangen kunnen voor de volgende functies worden gebruikt:
•
Externe opgave gewenste waarde
•
Sensoraansluiting:
–
Temperatuursensor
–
Verschildruksensor
–
PID-sensor
Analoge ingang voor volgende signalen:
•
0-10 V
•
2-10 V
•
0-20 mA
•
4-20 mA
•
PT1000
Technische gegevens:
•
Belasting analoge ingang (0)4-20 mA: ≤ 300 Ω
•
Belastingsweerstand bij 0 – 10 V, 2 – 10 V: ≥ 10 kΩ
•
Spanningsvastheid: 30 V DC / 24 V AC
•
Klem voor de voorziening van actieve sensoren met 24 V DC – maximale stroombelasting: 50 mA
Inbouw- en bedieningsvoorschriften • Wilo-Stratos MAXO/-D/-Z • Ed.01/2023-02
nl
39