❏ Zorg ervoor dat het papier niet beschadigd, vuil of te oud is.
❏ Zorg ervoor dat het papier droog is en met de afdrukzijde
naar boven in de printer is geladen.
❏ Strijk het papier glad of buig het een beetje om in de
tegenovergestelde richting als het is omgekruld in de richting
van de afdrukzijde.
❏ Controleer of de instelling bij Papiertype op het LCD-scherm
klopt.
❏ Verwijder elk afgedrukt vel meteen uit de uitvoerlade, vooral
als u transparanten gebruikt.
❏ Als u afdrukt op glansfilm of transparanten, plaats dan een
steunvel (of een vel gewoon papier) onder de stapel. U kunt
de vellen ook één voor één invoeren.
❏ Raak de bedrukte zijde van transparanten of papier met een
glanzend oppervlak niet aan en zorg ervoor dat ze nergens
mee in aanraking komen. Wanneer u hebt afgedrukt op
transparanten of glanzend afdrukmateriaal, moet u de inkt
enkele uren laten drogen.
❏ Voer het hulpprogramma Printkop reinigen uit.
& Zie "De printkop reinigen" op pagina 72
❏ Voer het hulpprogramma Printkop uitlijnen uit.
& Zie "De printkop uitlijnen" op pagina 74
84