Flexibel Opnemen: De sluitertijd
wijzigen
Gebruik het programma met
automatische belichting (AE) om
functies zoals de witbalans of
beeldeffecten te gebruiken, of om de
sluitertijd te selecteren.
Gebruik snellere sluitertijden om snel
bewegende objecten op te nemen.
Gebruik langzamere sluitertijden om
bewegingen vager te maken, waardoor
het gevoel van beweging wordt
versterkt.
WAAR U OP MOET LETTEN
Programmakeuzeschakelaar:
FUNC.
(
21)
1
FUNC.
Druk op
.
2
Selecteer het opnameprogramma
[
PROGRAM AE/
AE-PROGRAMMA] (
[
PROGRAM AE/
AE-PROGRAMMA] is de
standaardwaarde; ga direct verder
met stap 3 als u geen ander
opnameprogramma hebt
geselecteerd.
3
Selecteer de sluitertijd in de
instellingsmenu's.
[
MENU]
FUNC.
[
CAMERA SETUP/
INSTELLING CAMERA]
[SHUTTER/SLUITERTIJD]
Gewenste sluitertijd
Richtlijnen voor sluitertijden
Merk op dat op het scherm alleen de
noemer wordt weergegeven – [
geeft een sluitertijd aan van 1/250
seconde, etc.
1/50
Voor normale omstandigheden.
1/120
Voor het opnemen van sportscènes in een zaal.
1/250, 1/500*, 1/1000*
Voor het maken van opnamen vanuit een auto
of trein, of voor het opnemen van snel
(
20)
bewegende objecten, zoals achtbanen.
1/2000*
Voor het maken van opnamen van sportscènes
buiten op zonnige dagen.
* Alleen in de stand
• Verplaats de programmakeuzeschakelaar
37).
• [
FUNC.
OPMERKINGEN
tijdens het opnemen van een scène niet
naar
; de helderheid van het beeld
kan anders abrupt veranderen.
PROGRAM AE/AE-PROGRAMMA]
- Als u de sluitertijd instelt, gaat het
weergegeven getal knipperen indien de
geselecteerde waarde niet geschikt is
voor de opnameomstandigheden.
Selecteer in dat geval een andere
waarde.
- Als u op donkere plaatsen een lange
sluitertijd gebruikt, kunt u een helderder
beeld krijgen, maar kan de beeldkwaliteit
minder zijn, en werkt de automatische
scherpstelling mogelijk niet goed.
- Het beeld kan flikkeren wanneer u
opneemt met hoge sluitertijden.
250]
.
NL
39