Identificatie van de labels (vervolg)
(3) Snelheidsregeling motor:
Toont de richting aan om het toerental te verhogen (haas) of te ver-
lagen (schildpad).
(5) Controle van de aanwezigheid van de operator:
De pijl wijst naar de veiligheidshendel. Wanneer de hendel naar
achter is gedraaid, kan men de motor starten en zal hij werken,
zoals wordt aangegeven door de motor met de draaiende pijl. Als de
motor draait, draait ook het mes, aangegeven door het symbool van
het gemaaide gras. Wanneer men de hendel loslaat en naar voren
draait, valt de motor stil.
(6) Regeling van de hoogte:
Toont de richting van de verplaatsing van de hendel voor de afstelling van
de hoogte, om de hoogte te wijzigen van hoogst (naar rechts) tot laagst
(naar links). Merk op dat er in totaal elf maaihoogten zijn.
(4) Snelheidsregeling:
Toont de bewegingsrichting en het vermogen om de snelheid van
het rijden te kiezen voor de hendel vooruit of achteruit te bewegen.
(6) Koppeling:
Bevindt zich op de plastic greep van de koppelingshendel. Wanneer
de hendel naar voren wordt verplaatst, wordt de motor gekoppeld
en begint de maaier te rijden. Wanneer de hendel wordt losgelaten,
wordt de motor ontkoppelt en stopt de maaier met rijden.
5