uitgeschakeld en/of wordt de compressorfrequentie be-
perkt.
Om de stroom te meten, moet een stroomsensor worden
gemonteerd op iedere ingaande faseleiding in de verdeel-
kast. De verdeelkast is een prima plek voor de installatie.
Sluit de stroomsensoren aan op een meeraderige kabel in
een behuizing naast de verdeelkast. Gebruik een niet-af-
geschermde, meeraderige kabel met minimaal 0,50 mm
tussen de behuizing en de ACVM 270.
In de ACVM 270 sluit u de kabel aan op de EBV-kaart
(AA22) op klem X1:8–11.
L1 wordt aangesloten op X1:8 en X1:11.
L2 wordt aangesloten op X1:9 en X1:11.
L3 wordt aangesloten op X1:10 en X1:11.
De X1:11 is de gezamenlijke klemmenstrook voor de drie
stroomsensoren.
L1
AA22-X1
8
1
2
3
4
5
6 7
De grootte van de hoofdzekering van het pand wordt in-
gesteld met de knop (R24) op de EBV-kaart (AA22). De
instelling kan worden afgelezen in menu 8.3.1.
Aansluiten van centrale vermogensregeling/ta-
riefregeling
Bij centrale vermogensregeling of tariefregeling kan deze
worden aangesloten op klemmenstrook (X1) op de EBV-
kaart (AA22), die zich achter de afdekking aan de voorzijde
bevindt.
Tarief A, de elektrische bijverwarming wordt uitgeschakeld.
Sluit een potentiaalvrije contactfunctie aan op klem X1:5
en X1:7.
Tarief B, de compressor in de AMS 10 wordt uitgeschakeld.
Sluit een potentiaalvrije contactfunctie aan op klem X1:6
en X1:7.
Tarief A en Tarief B kunnen worden gecombineerd.
Een gesloten contact betekent dat het elektrisch vermogen
is uitgeschakeld.
Aansluiten van externe contacten
RG 10, sensor voor wijziging van de ruimtetemperatuur
Er kan een externe sensor (BT50) op de ACVM 270 worden
aangesloten om de aanvoertemperatuur en daarmee de
ruimtetemperatuur te wijzigen, bijvoorbeeld een ruimte-
sensor (RG 10, accessoire). Sluit de sensor aan op de
klemmenstrook van X4:1 tot X4:3 op de EBV-kaart (AA22)
volgens het bedradingsschema.
Wordt geactiveerd in menu 9.3.6.
De aanvoertemperatuur wordt bepaald aan de hand van
het verschil tussen de ruimtetemperatuur en de ingestelde
ruimtetemperatuur. De gewenste ruimtetemperatuur
wordt ingesteld met de knop op de RG 10 en kan worden
afgelezen in menu 6.3.
L3
L2
9 10 11 12 13 14 15 16 17
Contact voor wijziging van de ruimtetemperatuur
Afgiftesysteem 1:
Er kan een externe schakelfunctie op de ACVM 270 worden
aangesloten om de aanvoertemperatuur en daarmee de
ruimtetemperatuur te wijzigen, bijvoorbeeld een ruimte-
thermostaat of een schakelklok. Het contact moet poten-
tiaalvrij en niet-vergrendelbaar zijn en zijn aangesloten
2
op klemmenstrook X1:3 en X1:4 op de EBV-print (AA22).
Als het contact sluit, wordt de verschuiving van de stooklijn
gewijzigd met het aantal stappen dat hier wordt weerge-
geven. De waarde kan worden ingesteld tussen -10 en
+10. De waarde voor de wijziging wordt ingesteld in menu
"2.4, "Externe instelling".
Afgiftesysteem 2:
Er kan een externe schakelfunctie op de ACVM 270 worden
aangesloten om de aanvoertemperatuur en daarmee de
ruimtetemperatuur te wijzigen, bijvoorbeeld een ruimte-
thermostaat of een schakelklok. Het contact moet poten-
tiaalvrij en niet-vergrendelbaar zijn en zijn aangesloten
op klemmenstrook X1:14 en X1:15 op de EBV-print (AA22).
Als het contact sluit, wordt de verschuiving van de stooklijn
gewijzigd met het aantal stappen dat hier wordt weerge-
geven. De waarde kan worden ingesteld tussen -10 en
+10. De waarde voor de wijziging wordt ingesteld in menu
"3.5, "Externe instelling 2".
Contact voor activeren van "Extra warmtapwater"
Een externe schakelfunctie kan op de ACVM 270 worden
aangesloten om de functie "Tijdelijk extra warmtapwater"
te activeren. Het contact moet potentiaalvrij en niet-ver-
grendelbaar zijn en zijn aangesloten op klemmenstrook
X6:1 en X6:2 op de EBV-kaart (AA22).
Als het contact minimaal een seconde wordt gesloten,
wordt de functie "Tijdelijk extra warmtapwater" geacti-
veerd. Na 3 uur wordt automatisch teruggeschakeld naar
de eerder ingestelde functie.
Alarmuitgangen
Externe weergave van hoofdalarmen is mogelijk via de
relaisfunctie van de EBV-kaart (AA22), klemmenstrook
X2:1–2.
Het bedradingsschema op pagina 68 toont het relais in
de alarmstand.
Met schakelaar (SF1) in stand " 0" of "
in de alarmstand.
Koppeling specifieke aansluiting
De ACVM 270 is voorbereid voor de regeling van een ex-
terne circulatiepomp (GP10), externe shunt (QN11), wissel-
klep voor koeling (QN12) alsmede externe bijverwarming,
bijvoorbeeld olie, gas of pellets.
Externe circulatiepomp (max. 50W)
Sluit externe circulatiepomp (GP10) aan op klemmenstrook
X3:1 (230 V), X3:4 (N) en X3:5 (PE).
De circulatiepomp (GP10) is actief wanneer de circulatie-
pomp (GP1) in ACVM 270 actief is.
Het accessoire HR 10 kan worden gebruikt als het aansluit-
vermogen 50W overschrijdt. Zie sectie Plaats van de onder-
delen op pagina 71.
Externe shunt (accessoire)
Aansluiting en werking worden beschreven in de Installa-
tie-instructies voor accessoire ESV 22.
NIBE™ SPLIT
Voor de installateur
Elektrische installatie
" staat het relais
31