Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Een Bewakingszone Inschakelen; Een Cirkelvormige Bewakingszone Inschakelen; Een Gedeeltelijke Bewakingszone Inschakelen; Marpa - Garmin Gpsmap 8700 Series Gebruikershandleiding

Inhoudsopgave
De MotionScope functie markeert de bewegende doelobjecten
op het radarscherm, zodat u om andere boten of slecht weer
heen kunt navigeren, of naar visstekken waar vogels op het
wateroppervlak naar voedsel zoeken.
De bewegende doelen zijn met kleur gecodeerd, zodat u in één
oogopslag kunt zien welke doelen naar u toe of van u af
bewegen. Bij de meeste kleurenschema's geeft groen aan dat
het doelobject van u af beweegt en geeft rood aan dat het
doelobject uw kant op komt.
Op sommige modellen kunt u ook de instelling M-Scope
gevoeligheid aanpassen om de snelheidsdrempel voor
doelmarkering te wijzigen. Een hogere instelling markeert
tragere doelen en een lagere instelling markeert alleen snellere
doelen.

Een bewakingszone inschakelen

U kunt een bewakingszone inschakelen om u te waarschuwen
als een object een opgegeven gebied rond uw boot binnenkomt.
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Bewakingszone.

Een cirkelvormige bewakingszone inschakelen

Voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen, moet u eerst
een bewakingszone inschakelen
inschakelen, pagina
39).
U kunt een cirkelvormige bewakingszone definiëren die uw boot
volledig omsluit.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Bewakingszone >
2
Selecteer de locatie van de cirkel van de buitenste
bewakingszone.
3
Selecteer de locatie van de cirkel van de binnenste
bewakingszone om de breedte van de bewakingszone te
bepalen.

Een gedeeltelijke bewakingszone inschakelen

Voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen, moet u eerst
een bewakingszone inschakelen
inschakelen, pagina
39).
U kunt ook de grenzen opgeven van een bewakingszone die uw
boot niet volledig omsluit.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Radaropties >
Bewakingszone >
2
Versleep de hoek van de buitenste bewakingszone
3
Selecteer Hoek 2.
4
Selecteer de hoek van de binnenste bewakingszone
de breedte van de bewakingszone te bepalen.
Radar
(Een bewakingszone
> Cirkel.
(Een bewakingszone
> Hoek 1.
5
Selecteer OK.

MARPA

Met Mini-automatic Radar Plotting Aid (MARPA) kunt u doelen
identificeren en traceren. De functie wordt voornamelijk gebruikt
om aanvaringen te voorkomen. Om MARPA te kunnen
gebruiken moet u eerst een MARPA-tag aan een object
toewijzen. De radar volgt automatisch het gelabelde object en
geeft u informatie over dat object, waaronder het bereik, de
peiling, snelheid, GPS-koers, het moment waarop dat object het
dichtst bij u was en het tijdstip daarvan. MARPA geeft de status
van elk gelabeld object aan (zoeken, verloren, volgen of
gevaarlijk) en de kaartplotter kan een waarschuwingssignaal
geven als het object uw veiligheidszone binnenkomt.

Symbolen voor zoeken met MARPA

Een doel zoeken. Concentrische, gestippelde groene cirkels
stralen golven vanuit het doel uit als de radar op het doel is
gericht.
Doel is gevonden. Een effen groene cirkel geeft de locatie van het
doel aan waarop de radar is gericht. Een groene stippellijn die
aan de cirkel vastzit, geeft de geprojecteerde koers over de grond
of de GPS-koers van het doel aan.
Gevaarlijk doel binnen bereik. Een rode cirkel knippert bij het doel
terwijl er een waarschuwingssignaal klinkt en een melding wordt
gegeven. Nadat het alarm is bevestigd, geeft een effen rode punt
met daaraan een rode stippellijn de locatie en de geprojecteerde
koers over de grond of de GPS-koers van het doel aan. Als het
alarm voor het aanvaringsgevaar is uitgeschakeld, knippert het
doel maar gaat er geen waarschuwingssignaal af en wordt er
geen melding gegeven.
Doel is verdwenen. Een effen groene cirkel met een X erin geeft
aan dat de radar niet op het doel kon worden vastgezet.
Dichtstbijzijnd punt van nadering en tijd tot dichtstbijzijnd punt van
nadering voor een gevaarlijk doel.

Een MARPA-tag aan een object toewijzen

Voordat u MARPA kunt gebruiken, moet een koerssensor zijn
verbonden en moet een actief GPS-signaal beschikbaar zijn. De
koerssensor moet het NMEA 2000-parametergroepsnummer
(PGN) 127250 of het NMEA 0183-uitvoertelegram HDM of HDG
aanleveren.
1
Selecteer een object of locatie in een radarscherm.
2
Selecteer Bepaal doel > MARPA-doel.

Een MARPA-tag van een doelobject verwijderen

1
Selecteer vanaf het radarscherm een MARPA-doel.
2
Selecteer MARPA-doel > Verwijder.
Informatie weergeven over een object dat met een
MARPA-tag is gelabeld
U kunt het bereik, de peiling, de snelheid en andere informatie
over een object bekijken dat met een MARPA-tag is gelabeld.
1
Selecteer vanuit het radarscherm een doelobject.
.
2
Selecteer MARPA-doel.

Een lijst met AIS en MARPA gevaren weergeven

Vanuit elk radarscherm of de radaroverlay kunt u de vormgeving
van een lijst met AIS en MARPA gevaren bekijken en
aanpassen.
1
Selecteer in een radarscherm Menu > Lagen > Overige
schepen > Lijst > Toon.
2
Selecteer het type gevaar dat u in de lijst wilt opnemen.

AIS-schepen op het radarscherm weergeven

AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van
een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt.
om
U kunt instellen hoe andere schepen op het radarscherm
moeten worden weergegeven. Als u een instelling voor één
radarmodus wijzigt, worden de nieuwe instellingen ook op alle
39
Inhoudsopgave
loading

Deze handleiding is ook geschikt voor:

Gpsmap 8600 seriesGpsmap 8400 series

Inhoudsopgave