Download Print deze pagina

Toyota RAV4 2009 Instructieboekje pagina 108

WAARSCHUWING
D
Het airbagsysteem is niet ontworpen ter
vervanging van de veiligheidsgordel van
de bestuurder en de voorpassagier, maar
als aanvulling hierop. Als de bestuurder
en de voorpassagier hun gordel niet goed
dragen, kunnen zij ernstig letsel oplopen
als het airbagsysteem in werking treedt.
Tijdens hard remmen net voor een onge-
val kunnen de bestuurder en de voorpas-
sagier, als zij hun gordel niet dragen, naar
voren bewegen en tegen of dicht bij de
airbag komen, die tijdens het ongeval kan
worden opgeblazen. Als de auto rijdt, die-
nen alle inzittenden gebruik te maken van
de veiligheidsgordels. Het dragen van een
gordel tijdens een ongeval vermindert de
kans op ernstig letsel of het uit de auto
geslingerd worden. Zie voor aanwijzingen
en voorzorgsmaatregelen "Veiligheidsgor-
dels" op bladzijde 78 in dit hoofdstuk.
D
Kinderen die niet (goed) op de stoel zitten
en/of geen gordel dragen of de gordel niet
op de juiste manier dragen, kunnen letsel
oplopen door in werking tredende airbags.
Gebruik de veiligheidsgordels nooit voor
baby's of kleine kinderen. Gebruik hier-
voor speciale baby- - of kinderzitjes.
Toyota beveelt ten zeerste aan dat alle kin-
deren achterin plaatsnemen en de veilig-
heidsgordels altijd op de juiste manier
dragen. Achterin zitten kinderen het vei-
ligst. Zie voor aanwijzingen voor het plaat-
sen van een baby- - of kinderzitje "Veilig-
heidssystemen voor kinderen" op bladzij-
de 116 in dit hoofdstuk.
VEILIGHEIDSSYSTEMEN
D
Schakel de passagiersairbag alleen uit als
een baby- - of kinderzitje tegen de rijrich-
ting in op de voorstoel is geplaatst.
D
Als de passagiersairbag is uitgeschakeld,
zal in het geval van een aanrijding de
passagiersairbag niet werken. Door het
uitschakelen van de passagiersairbag
neemt de bescherming voor de inzitten-
den af en neemt bij bepaalde soorten on-
gelukken de kans op ernstig letsel toe.
De airbags vóór zijn zo ontworpen dat ze
geactiveerd worden bij een zware (gewoon-
lijk frontale) aanrijding waarvan de grootte
en duur van de voorwaartse deceleratie een
bepaalde drempelwaarde overschrijdt.
De airbags vóór worden pas geactiveerd als
bovenstaande drempelwaarde wordt over-
schreden. Deze drempelwaarde is te vergelij-
ken met een frontale aanrijding met een snel-
heid van 25 km/h tegen een voorwerp dat niet
kan bewegen of vervormen.
De drempelsnelheid kan echter veel hoger lig-
gen als iets dat kan bewegen en/of vervormen
(geparkeerde auto, lantaarnpaal) wordt geraakt
of als u betrokken raakt bij een ongeval waarbij
de voorzijde van de auto onder een vrachtwa-
gen, enz. terechtkomt.
In bepaalde gevallen, bij aanrijdingen waarbij
de deceleratie in voorwaartse richting dicht bij
de drempelwaarde ligt, kan het gebeuren dat
de airbags vóór en de gordelspanners niet ge-
lijktijdig worden geactiveerd.
Draag uw veiligheidsgordel altijd op de juiste
manier.
97
loading