Reset van de bandenspanningscontrole RDC, zie
pagina 331, uitvoeren.
De defecte band en de afdichtmiddelhouder van
het Mobility System zo snel mogelijk laten ver‐
vangen.
Sneeuwkettingen
Veiligheidsvoorschriften
WAARSCHUWING
Door de montage van sneeuwkettingen op
banden die niet daarvoor geschikt zijn kunnen
de sneeuwkettingen met delen van de auto in
contact komen. Er bestaat kans op een ongeval
of schade. De sneeuwkettingen alleen op ban‐
den monteren, die door de fabrikant zijn inge‐
deeld als geschikt voor het gebruik van snee‐
uwkettingen.
WAARSCHUWING
Onvoldoende aangespannen sneeuwkettingen
kunnen banden en voertuigonderdelen bescha‐
digen. Er bestaat kans op een ongeval of
schade. Controleer of de sneeuwkettingen al‐
tijd voldoende aangespannen zijn. Zo nodig de
sneeuwkettingen naspannen overeenkomstig
de opgaven van de fabrikant.
Sneeuwkettingen met fijne
schakels
De fabrikant van het voertuig raadt het gebruik
van sneeuwkettingen met fijne schakels aan. Be‐
paalde sneeuwkettingen met fijne schakels zijn
door de fabrikant van de auto getest en als ver‐
keersveilig en geschikt aangemerkt.
Informatie over geschikte sneeuwkettingen is bij
een Service Partner van de fabrikant of een an‐
dere gekwalificeerde Service Partner of specialist
verkrijgbaar.
Online Edition for Part no. 01402720787 - II/19
Wielen en banden
Gebruik
Het gebruik is uitsluitend paarsgewijs toegestaan
op de achterwielen voor de volgende wielmaten:
▷
225/60 R 18.
▷
245/50 R 19.
Aanwijzingen van de sneeuwkettingfabrikant in
acht nemen.
Met sneeuwkettingen de bandenpechwaarschu‐
wing RPA niet initialiseren, omdat dit tot onjuiste
weergaven kan leiden.
Met sneeuwkettingen geen reset van de ban‐
denspanningscontrole RDC uitvoeren, omdat dit
tot onjuiste weergaven kan leiden.
Bij het rijden met sneeuwkettingen eventueel de
dynamische tractiecontrole DTC voor korte tijd
activeren, om de tractie te verbeteren.
Maximale snelheid met
sneeuwkettingen
Met sneeuwkettingen niet harder rijden dan
50 km/h.
Bandenspanningscontrole
RDC
Principe
Het systeem bewaakt de bandenspanning in de
vier gemonteerde banden. Het systeem waar‐
schuwt wanneer in een of meer banden de ban‐
denspanning lager is geworden.
Algemeen
Sensoren in de ventielen van de banden meten
de spanning en temperatuur van de banden.
Door de bandeninstellingen in iDrive kan het sys‐
teem de vastgelegde gewenste spanning auto‐
matisch weergeven en met de actuele banden‐
spanning vergelijken.
Bij banden die niet op de bandenspanningswaar‐
den op de auto, zie pagina 321, te vinden zijn,
bijvoorbeeld banden met een speciale onthef‐
MOBILITEIT
331