3
Gebruik de [1]-regelaar om de opslagbestemming te selecteren (U01-1–U66-3).
Houd de [1]-regelaar ingedrukt en draai er vervolgens aan om tussen banken te schakelen.
U kunt de [2]–[4]-regelaars gebruiken om de naam te bewerken.
Om de naam van het geheugen te bewerken, gebruikt u de PAGE [÷] [ø]-knoppen om de cursor te verplaatsen en gebruik de [SELECT]-
regelaar om het teken te wijzigen.
Handeling
De [2]-regelaar draaien
De [3]-regelaar draaien
Op de [3]-regelaar drukken
De [SELECT]-regelaar draaien
Op de [4]-regelaar drukken
Op de [÷] [ø]-knoppen drukken
Op <DELETE ALL> drukken
4
Tik op <EXEC: [WRITE]> op het scherm (of druk op de [WRITE]-knop).
Lijst met WRITE MENU-functies
Menu
WRITE
EXCHANGE
INITIALIZE
INSERT
Functie
Selecteert het type van de tekens
Wisselt tussen hoofdletters en kleine letters
Verwijdert één teken
Wijzigt het teken
Voegt één spatie in
Verplaatst de cursor
Verwijdert alle tekens
Functie
Slaat het geheugen op dat u hebt gemaakt.
U kunt de posities van twee gebruikersgeheugens "verwisselen".
U kunt elk effect in een gebruikersgeheugen terugzetten naar de standaardinstellingen
(initialiseren). Dit is handig als u een volledig nieuw geheugen wilt creëren.
U kunt een geheugen in elke positie van het gebruikersgeheugen plaatsen.
Als u bijvoorbeeld geheugen U01-1 invoegt bij U02-1, worden geheugen U02-1 en de
daaropvolgende geheugens met één achteruit geschoven (opnieuw genummerd). (Geheugen
U02-1 wordt U02-2.)
Bewerken: effecten
41