5.
Zet de maaier op zijn linkerkant (fig. 23). Zorg
ervoor dat het mes niet draait, omdat daardoor
startproblemen kunnen ontstaan.
6.
CONTROLEREN VAN HET MES —
Controleer het mes zorgvuldig op scherpte en
slijtage, met name op het raakvlak van vlakke en
gebogen delen (fig. 24A). Het metaal dat deze
delen verbindt kan door zand en schurend
materiaal afslijten. Het mes moet daarom voor
gebruik worden gecontroleerd. Als u gleuven of
slijtage constateert (fig. 24B en C), dient het mes
door een nieuw TORO-mes te worden
vervangen. Zie hiervoor stap 7.
NB:
U bereikt het beste resultaat, wanneer u
voor het begin van het maaiseizoen een
nieuw TORO-mes plaatst. In de loop
van het jaar kunt u dan kleine
onregelmatigheden wegvijlen om de
snijrand scherp te houden.
7.
VERWIJDEREN VAN HET MES — Pak het
uiteinde van het mes vast met behulp van een
oude lap of dikke gewatteerde handschoen.
Verwijder de mesbout, de veerring, de versneller
en het mes (fig. 23).
POTENTIEEL GEVAAR
Een versleten of beschadigd mes kan
breken en in een dergelijk geval kan een
stuk van het mes worden uitgeworpen naar
bestuurder of omstanders.
WAT KAN ER GEBEUREN
Een uitgeworpen stukje mes kan
bestuurder of omstanders ernstig
verwonden of zelfs doden.
HOE HET GEVAAR TE VERMIJDEN
Controleer het mes regelmatig op slijtage of
beschadigingen.
Vervang een versleten of beschadigd mes.
17
8.
SLIJPEN VAN HET MES — Met behulp van
een vijl de bovenkant van het mes slijpen,
waarbij u de oorspronkelijke snijhoek in stand
houdt (fig. 25). Als u aan beide snijranden
evenveel materiaal verwijdert, blijft het mes in
evenwicht.
Belangrijk: Controleer de balans van het mes
door het op een mesbalans te leggen.
In de ijzerwinkel kunt u een
goedkope balans kopen. Wanneer
een mes in evenwicht is, blijft het
horizontaal liggen. Is het mes niet in
balans, dan helt het over naar de
zwaardere kant. In dit geval moet
nog wat metaal van de snijkant aan
die kant worden afgevijld.
9.
Monteer het scherpe, gebalanceerde TORO-mes,
de versneller, de veerring en de mesbout weer op
hun plaats. Het wiekdeel van het mes moet naar
de bovenkant van de maaikast wijzen. Draai de
bout op het mes aan tot 68 N m.
10. Zet de maaier weer rechtop.
11. Maak de draad van de bougie weer vast.
Smeren
De voor- en achterwielen moeten telkens na
25 bedrijfsuren en aan het eind van het seizoen
worden gesmeerd.
1.
Breng 2 à 3 druppels lichte olie aan op de
binnen- en buitenkant van alle wielbouten. Laat
de wielen draaien om de olie in de naafbussen te
brengen. Veeg het teveel aan olie weg.
2.
Zet de maaihoogtehendels van de achterwielen in
de stand "C". Veeg de smeernippels af met een
schone doek (fig. 26). Zet een vetspuit op de
smeernippels en pomp voorzichtig 2 à 3 maal.
Gebruik hiervoor nr. 2 universeelvet op
lithiumbasis. Door een te grote druk kunnen de
afdichtingen beschadigd raken.