Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de
printer binnen een netwerk
DHCP gebruiken
U kunt deze printer in een DCHP-omgeving gebruiken.
• Ondersteunde DHCP-servers zijn servers die zijn opgenomen in Windows Server 2003/2003
R2/2008/2008 R2.
• DHCP relay-agent wordt niet ondersteund. Het gebruik van DHCP relay-agent op een netwerk via
ISDN leidt tot hogere communicatiekosten. Dit komt doordat uw computer telkens verbinding
maakt met de ISDN-lijn als een pakket wordt overgebracht van de printer.
• Als er meer dan één DHCP-server is, gebruikt u dezelfde instelling voor alle servers.
De printer gebruikt de gegevens van de DHCP-server die het eerst reageert.
Gebruik van AutoNet
Als het IPv4-adres van de printer niet automatisch door een DHCP-server wordt toegewezen, dan kan
een tijdelijk IPv4-adres dat begint met 169.254 en dat niet op het netwerk wordt gebruikt automatisch
door de printer worden geselecteerd.
Als er een AutoNet-adres is ingesteld als het IP-adres van de printer, wordt dit telkens wanneer u de
printer aanzet gewijzigd. Configureer de TCP/IP-instellingen in overeenstemming met uw
netwerkomgeving.
U moet deze instelling wijzigen in "aan" om AutoNet te kunnen gebruiken.
• Het IP-adres dat wordt toegewezen door de DHCP-server heeft een hogere prioriteit dan het adres
dat wordt geselecteerd door AutoNet.
• U kunt het huidige IPv4-adres op de configuratiepagina controleren.
• De printer kan niet communiceren met apparaten die niet zijn voorzien van de functie AutoNet.
Deze printer kan wel communiceren met Macintosh-computers met Mac OS X 10.3 of hoger.
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de printer binnen een netwerk
143