4.7.2
Monteer de condensatiesensor
OPMERKING
Materiële schade door vocht!
Koelbedrijf onder het dauwpunt veroorzaakt neerslag van vocht op aan-
grenzende materialen (vloer).
▶ Gebruik vloerverwarmingen niet voor het koelbedrijf onder het dauw-
punt.
▶ Stel de aanvoertemperatuur correct in.
Condensatiesensoren worden op de buizen van de cv-installatie gemon-
teerd en zenden een signaal aan de bedieningsunit zodra deze con-
densvorming constateren. Installatie-instructies worden met de
sensoren meegeleverd.
De bedieningsunit schakelt het koelbedrijf uit, zodra deze een signaal
van de condensatiesensoren ontvangen. Condenswater vormt zich tij-
dens koelbedrijf, wanneer de temperatuur van de cv-installatie onder de
betreffende dauwpunttemperatuur ligt.
Het dauwpunt varieert afhankelijk van de temperatuur en de luchtvoch-
tigheid. Hoe hoger de luchtvochtigheid, hoe hoger de aanvoertempera-
tuur moet zijn, om te voorkomen dat het dauwpunt wordt bereikt en er
dus geen condensatie optreedt.
4.7.3
Condenserende koelmodus met ventilatorconvectoren
Installatie van een terugslagklep is verplicht bij gebruik van de koelmo-
dus ( zie hoofdstuk benodigde accessoires in 2.8.1).
OPMERKING
Materiële schade door vocht!
Wanneer de condensatie-isolatie niet volledig is, kan het vocht naar aan-
grenzende materialen overslaan.
▶ Alle leidingen en aansluitingen tot en met de ventilatorconvector van
condensatie-isolatie voorzien.
▶ Gebruik voor het isoleren een materiaal dat geschikt is voor koelsy-
stemen met condensvorming.
▶ Condensafvoer op de afvoer aansluiten.
▶ Bij koelbedrijf onder het dauwpunt geen condensatiesensor gebrui-
ken.
▶ Bij koelbedrijf onder het dauwpunt geen kamertemperatuurgestuur-
de regelaar met geïntegreerde condensatiesensor gebruiken.
Wanneer uitsluitend ventilatorconvectoren met afvoer en geïsoleerde lei-
dingen worden gebruikt, mag de aanvoertemperatuur tot 7 °C worden in-
gesteld.
OPMERKING
Thermische onderbreking!
Wanneer de koelmodus onder het dauwpunt wordt gebruikt, kan de re-
sulterende condensatie andere componenten van het toestel beschadi-
gen.
▶ Om een thermische onderbreking te voorkomen moet de installateur
de thermische leidingen isoleren (zie Afb. 18 "Leidingen moeten
worden geïsoleerd, wanneer de koelmodus onder het dauwpunt
wordt gebruikt").
Compress 5800i AW – 6721866645 (2023/09)
3
Afb. 18 Leidingen moeten worden geïsoleerd, wanneer de koelmodus
onder het dauwpunt wordt gebruikt
5
Hydraulische aansluiting
OPMERKING
Schade aan de installatie door resten in de leidingen!
Vaste stoffen, metaal-/kunststofspanen, hennep- en weefselbandresten
en dergelijke materialen kunnen zich in pompen, ventielen en warmte-
wisselaars afzetten.
▶ Voorkom het binnendringen van vaste stoffen in het leidingsysteem.
▶ Leidingcomponenten en -verbindingen niet direct op de vloer plaat-
sen.
▶ Zorg er bij het ontbramen voor, dat geen spannen in de leidingen ach-
terblijven.
▶ Spoel het leidingsysteem grondig door voor het aansluiten van de
warmtepomp en binnenunit, om vreemde deeltjes daaruit te verwij-
deren.
Conform de goede technische installatiepraktijk kan het nodig zijn om
extra ontluchtingsventielen te installeren op het hoogste punt van de in-
stallatie.
Hydraulische aansluiting
0010049679-001
15