Opnamen maken
Er kunnen geen opnamen worden gemaakt.
Druk in de afspeelmodus ( = 63) de [
]-knop half in ( = 23).
●
Vreemde weergave op het scherm bij weinig licht ( = 26).
Vreemde weergave op het scherm bij opnamen.
●
Houd er rekening mee dat de volgende weergaveproblemen niet op foto's worden
vastgelegd, maar wel in films worden opgenomen.
-
Als u opnamen maakt bij TL- of LED-verlichting kan het scherm flikkeren en
kan een horizontale band verschijnen.
Er is geen datumstempel aan de beelden toegevoegd.
●
Hoewel deze camera geen datumstempel aan de beelden toe kan voegen, kan
deze wel als volgt toegevoegd worden bij het afdrukken.
-
Afdrukken met de software
Zie "Softwarehandleiding" ( = 114).
-
Gebruik de printerfuncties om af te drukken
[ ] verschijnt wanneer de sluiterring half wordt ingedrukt ( = 36).
●
Stel [IS modus] in op [Continu] ( = 61).
Stel de flitsmodus in op [ ] ( = 61).
●
Verhoog de ISO-waarde ( = 60).
●
●
Plaats de camera op een statief of neem andere maatregelen om de camera stil
te houden. Stel daarnaast [IS modus] in op [Uit] als u opnamen maakt met een
statief of een ander middel gebruikt om de camera stil te houden ( = 61).
De opnamen zijn niet scherp.
●
Druk de sluiterring half in om scherp te stellen op het onderwerp en druk de knop
daarna volledig in om een opname te maken ( = 24).
Zorg dat de onderwerpen zich binnen het scherpstelbereik bevinden ( = 134).
●
Stel [AF-hulplicht] in op [Aan] ( = 50).
●
Opnamen zijn wazig.
●
Afhankelijk van de omstandigheden tijdens de opname kan vervaging van
beelden optreden wanneer Touch Shutter wordt gebruikt. Houd de camera stil
tijdens de opname.
Er worden geen AF-kaders weergegeven en de camera stelt niet scherp
wanneer de sluiterring half wordt indrukt.
●
Om de AF-kaders weer te geven en de camera goed te laten scherpstellen,
probeert u de gebieden met veel contrast in het centrum van de compositie
te plaatsen voordat u de sluiterring half indrukt. Of probeer de ontspanknop
meerdere malen half in te drukken.
De onderwerpen in de opnamen zijn te donker.
Stel de flitsmodus in op [ ] ( = 61).
●
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie ( = 59).
●
Gebruik spotmeting ( = 59).
●
De onderwerpen zijn te helder, de highlights zijn vervaagd.
] ( = 42).
●
Stel de flitsmodus in op [
●
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie ( = 59).
Gebruik spotmeting ( = 59).
●
●
Verminder de belichting van het onderwerp.
De opnamen zijn te donker, ondanks dat er is geflitst ( = 36).
Maak de opname binnen het bereik van de flits ( = 134).
●
Verhoog de ISO-waarde ( = 60).
●
De onderwerpen in geflitste foto's zijn te helder, de highlights zijn
vervaagd.
Maak de opname binnen het bereik van de flits ( = 134).
●
●
Stel de flitsmodus in op [
] ( = 42).
Er verschijnen witte stipjes op flitsopnames.
●
Dit komt doordat het licht van de flitser wordt weerspiegeld door stof- of andere
deeltjes in de lucht.
Opnamen zien er korrelig uit.
●
Verlaag de ISO-waarde ( = 60).
De onderwerpen hebben rode ogen.
Bewerk beelden met Rode-ogencorrectie ( = 77).
●
Het schrijven naar een geheugenkaart duurt te lang of het maken van
continue opnamen gaat langzamer.
Voer via de camera een low-level format van de geheugenkaart uit ( = 109).
●
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
Basishandelingen van
de camera
2
Modus Creatieve
opname
3
Auto-modus/Modus
Hybride automatisch
4
Andere opnamestanden
5
P-modus
6
Afspeelmodus
7
Wi-Fi-functies
8
Menu Instellingen
9
Accessoires
10
Bijlage
Index
122