Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Canon PowerShot N2 Gebruikershandleiding pagina 122

Inhoudsopgave
Opnamen maken
Er kunnen geen opnamen worden gemaakt.
Druk in de afspeelmodus ( = 63) de [
]-knop half in ( = 23).
Vreemde weergave op het scherm bij weinig licht ( = 26).
Vreemde weergave op het scherm bij opnamen.
Houd er rekening mee dat de volgende weergaveproblemen niet op foto's worden
vastgelegd, maar wel in films worden opgenomen.
-
Als u opnamen maakt bij TL- of LED-verlichting kan het scherm flikkeren en
kan een horizontale band verschijnen.
Er is geen datumstempel aan de beelden toegevoegd.
Hoewel deze camera geen datumstempel aan de beelden toe kan voegen, kan
deze wel als volgt toegevoegd worden bij het afdrukken.
-
Afdrukken met de software
Zie "Softwarehandleiding" ( = 114).
-
Gebruik de printerfuncties om af te drukken
[ ] verschijnt wanneer de sluiterring half wordt ingedrukt ( = 36).
Stel [IS modus] in op [Continu] ( = 61).
Stel de flitsmodus in op [ ] ( = 61).
Verhoog de ISO-waarde ( = 60).
Plaats de camera op een statief of neem andere maatregelen om de camera stil
te houden. Stel daarnaast [IS modus] in op [Uit] als u opnamen maakt met een
statief of een ander middel gebruikt om de camera stil te houden ( = 61).
De opnamen zijn niet scherp.
Druk de sluiterring half in om scherp te stellen op het onderwerp en druk de knop
daarna volledig in om een opname te maken ( = 24).
Zorg dat de onderwerpen zich binnen het scherpstelbereik bevinden ( = 134).
Stel [AF-hulplicht] in op [Aan] ( = 50).
Opnamen zijn wazig.
Afhankelijk van de omstandigheden tijdens de opname kan vervaging van
beelden optreden wanneer Touch Shutter wordt gebruikt. Houd de camera stil
tijdens de opname.
Er worden geen AF-kaders weergegeven en de camera stelt niet scherp
wanneer de sluiterring half wordt indrukt.
Om de AF-kaders weer te geven en de camera goed te laten scherpstellen,
probeert u de gebieden met veel contrast in het centrum van de compositie
te plaatsen voordat u de sluiterring half indrukt. Of probeer de ontspanknop
meerdere malen half in te drukken.
De onderwerpen in de opnamen zijn te donker.
Stel de flitsmodus in op [ ] ( = 61).
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie ( = 59).
Gebruik spotmeting ( = 59).
De onderwerpen zijn te helder, de highlights zijn vervaagd.
] ( = 42).
Stel de flitsmodus in op [
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie ( = 59).
Gebruik spotmeting ( = 59).
Verminder de belichting van het onderwerp.
De opnamen zijn te donker, ondanks dat er is geflitst ( = 36).
Maak de opname binnen het bereik van de flits ( = 134).
Verhoog de ISO-waarde ( = 60).
De onderwerpen in geflitste foto's zijn te helder, de highlights zijn
vervaagd.
Maak de opname binnen het bereik van de flits ( = 134).
Stel de flitsmodus in op [
] ( = 42).
Er verschijnen witte stipjes op flitsopnames.
Dit komt doordat het licht van de flitser wordt weerspiegeld door stof- of andere
deeltjes in de lucht.
Opnamen zien er korrelig uit.
Verlaag de ISO-waarde ( = 60).
De onderwerpen hebben rode ogen.
Bewerk beelden met Rode-ogencorrectie ( = 77).
Het schrijven naar een geheugenkaart duurt te lang of het maken van
continue opnamen gaat langzamer.
Voer via de camera een low-level format van de geheugenkaart uit ( = 109).
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
Basishandelingen van
de camera
2
Modus Creatieve
opname
3
Auto-modus/Modus
Hybride automatisch
4
Andere opnamestanden
5
P-modus
6
Afspeelmodus
7
Wi-Fi-functies
8
Menu Instellingen
9
Accessoires
10
Bijlage
Index
122
Inhoudsopgave
loading

Inhoudsopgave