●
Om verbinding te kunnen maken moet er een geheugenkaart in
de camera zitten.
●
Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het Wi-
Fi-menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het Wi-Fi-menu opent. U kunt eenvoudig opnieuw
verbinding maken door het apparaat te kiezen. U kunt nieuwe
apparaten registreren door naar links of naar rechts te slepen om
het scherm te openen waarmee u apparaten kunt selecteren
●
Als u liever geen recente doelapparaten wilt weergeven,
kiest u MENU ( = 28)> tabblad [
] > [Instellingen Wi-Fi] >
[Doelhistorie] > [Uit].
●
U kunt ook meerdere beelden in een keer verzenden en de
beeldresolutie wijzigen voordat u verzendt ( = 98).
Een ander toegangspunt gebruiken
Als u de camera met een smartphone verbindt met behulp van de
knop [ ] of via het Wi-Fi-menu, kunt u ook een bestaand toegangspunt
gebruiken.
1
Bereid de verbinding voor.
●
Open het scherm [Wachten op
verbinding]. Volg stap 1 – 3 van
"Verzenden naar een smartphone die
is toegewezen aan de knop" ( = 81)
of stap 1 – 4 van "Een smartphone
toevoegen met het Wi-Fi-menu"
( = 83).
2
Verbind de smartphone met het
toegangspunt.
3
Selecteer [Ander netwerk].
●
Tik op [Ander netwerk].
●
Er wordt een lijst met waargenomen
toegangspunten weergegeven.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
Basishandelingen van
de camera
2
Modus Creatieve
opname
3
Auto-modus/Modus
Hybride automatisch
4
Andere opnamestanden
5
P-modus
6
Afspeelmodus
7
Wi-Fi-functies
8
Menu Instellingen
9
Accessoires
10
Bijlage
Index
85