Sluitertijdvoorkeuze
U kunt de beweging van een bewegend onderwerp op diverse manieren tot uitdrukking
brengen door de sluitertijd aan te passen, bijvoorbeeld, de beweging 'bevriezen' met een
snelle sluitertijd of een spoor van beweging achter het onderwerp aan vastleggen met een
langzame sluitertijd.
1 [Menu] t [Opn.modus] t
[Sluitertijdvoorkeuze] t gewenste waarde.
2 Stel scherp en fotografeer het onderwerp.
Het diafragma wordt automatisch aangepast om tot een
juiste belichting te komen.
Opmerkingen
• U kunt niet [Flitser uit] en [Automatisch flitsen] selecteren in [Flitsfunctie].
• De
-indicator (camerabewegingswaarschuwing) wordt niet weergegeven in de stand voor
sluitertijdvoorkeuze.
• Als de sluitertijd 1 seconde is of langer, zal de ruisonderdrukking (NR lang-belicht) na de opname
worden uitgevoerd. Tijdens de ruisonderdrukking kunt u verder geen opnamen maken.
• Als de juiste belichting niet haalbaar is na het instellen, knippert de diafragmawaarde wanneer u de
sluiterknop half indrukt. U kunt zo wel een opname maken, maar u kunt beter een andere instelling
kiezen.
• De helderheid van het beeld op de LCD-monitor kan verschillen van die van het beeld dat in
werkelijkheid wordt vastgelegd.
Sluitertijd
z
Wanneer u een snellere sluitertijd gebruikt, lijkt het of een
bewegend onderwerp, zoals een hardloper, auto's of de
branding van de zee, is stilgezet.
Wanneer u een langzamere sluitertijd gebruikt wordt een achter
het onderwerp aan slepend spoor van de beweging vastgelegd
waardoor een natuurlijker en dynamischer beeld ontstaat.
Sluitertijd
NL
51