8.4
Periodieke controles
Inbouw- en bedieningsvoorschriften Wilo-SiFire FIRST
Onderhoud
Controleer vervolgens de olieslangen en voer een algemene inspectie uit om gelekte
brandstof, koelmiddel of uitlaatgassen op te sporen.
WEKELIJKSE INSPECTIE
1. Controleer de ventilatie en de ruimtetemperatuur.
2. Voer een algemene inspectie van de installatie uit (ook van de water- en stroom-
voorziening) en controleer de zichtbare toestand van alle componenten (geen lek-
kages).
3. Voer een algemene reiniging uit.
4. Controleer de dichtheid van de terugslagklep.
5. Waarborg dat de schakelkast voor de automatische start is ingesteld.
6. Controleer of de elektrische schakelkast correct werkt.
7. Controleer of de alarmlichten van de schakelkast correct werken.
8. Controleer of het alarm voor het minimale vulpeil van het reservoir voor de brand-
bestrijding resp. de put correct werkt.
9. Controleer de elektrische aansluitingen op verbrandingen, beschadigingen aan de
isolatie en loszittende schroeven op de klemmenblokken.
10.Controleer de vulling van het membraanexpansievat (indien aanwezig).
11.Controleer of het alarm voor het minimale vulpeil van de brandstof correct werkt.
12.Controleer de laadtoestand van de accu en het rendement van de oplader.
13.Controleer of de stop-magneetklep correct werkt.
14.Controleer de viscositeit en het vulpeil van het koelmiddel van de pomp.
15.Controleer het aanzuigcircuit. Het water moet zonder luchtbellen toelopen, con-
troleer ontluchtingsinstallaties.
Noteer in elk geval de volgende waarden:
ƒ
alle drukwaarden op de water- en luchtdrukmeters (installatie, hoofdcircuits en
drukreservoirs)
ƒ
alle waterniveaus van de watervoorziening zoals rivieren, kanalen, meren, opslag-
tanks (inclusief aanzuigreservoirs van pompen en drukreservoirs)
ƒ
de correcte positie van alle hoofdafsluitarmaturen
Automatische start testen
Bij automatische pompen moeten de volgende punten worden gecontroleerd of getest:
1. Controleer het vulpeil van brandstof en smeerolie in de dieselmotor.
2. Verlaag de waterdruk in de starter om de voorwaarden voor een automatische start
te simuleren.
3. Controleer bij de start van de pomp de druk en noteer deze.
4. Controleer de oliedruk in de motoren van de dieselpompen.
5. Controleer of de waterdoorstroming in de warmtewisselaar (indien aanwezig) cor-
rect is.
Test voor de herinschakeling van de dieselmotor
Direct na een voorafgaande starttest van de pompen moet de dieselmotor worden ge-
controleerd:
1. Laat de motor 20 minuten op het nominale bedrijfspunt draaien. Stop daarna de
motor en start deze direct opnieuw via de testtoets voor de handmatige start.
2. Controleer het waterpeil in de gesloten primaire koelkringloop.
3. Controleer bij de test ook de oliedruk (op de manometer aflezen), de temperatuur
van de motor en de doorstroming van het koelmiddel. Controleer de olieleidingen
en de installatie als geheel op lekkages (brandstof, koelmiddel of uitlaatgassen).
4. Controleer het ventilatiesysteem (luchtfilter, bedrijf, verstoppingen).
nl
33