Jeep COMPASS 2023 - Handleiding auto

Jeep COMPASS Interieur

Inleiding

Wij willen u feliciteren en bedanken voor uw keuze voor een Jeep. Deze Snelgids geeft u de belangrijkste aanwijzingen en enkele aanbevelingen voor het gebruik van uw auto. Deze Snelgids is geen vervanging voor het volledig lezen van de uitgebreidere Gebruikershandleiding, die online beschikbaar is.
De afbeeldingen in de Snelgids zijn slechts voorbeelden. Dit kan betekenen dat sommige details in de afbeelding niet overeenkomen met de werkelijke indeling van uw auto.
Na het lezen wordt u geadviseerd deze Snelgids in de auto te bewaren, zodat u deze gemakkelijk kunt raadplegen en om ervoor te zorgen dat deze aan boord blijft als de auto wordt verkocht.
In het bijgevoegde Garantieboekje vindt u ook een beschrijving van de Dealer Services die Jeep aan haar klanten biedt, het Garantiebewijs en details van de voorwaarden voor het onderhoud van het voertuig.
We zijn ervan overtuigd dat deze u dichter bij uw nieuwe auto zullen brengen en u de hulp van het Jeep-team zult waarderen.
Veel lees- en rijplezier in uw nieuwe auto!
De informatie in deze publicatie is bedoeld om u te helpen uw voertuig op de best mogelijke manier te gebruiken. Stellantis Europe S.p. A. streeft ernaar de voertuigen die zij produceert voortdurend te verbeteren. Daartoe behouden wij ons het recht voor om wijzigingen aan te brengen aan het beschreven model voor technische en/of commerciële doeleinden. Neem voor meer informatie contact op met een Jeep-dealer.
Waarschuwing
Neem voor alle werkzaamheden aan uw voertuig contact op met een gekwalificeerde werkplaats met de nodige technische informatie, vaardigheden en apparatuur, die de Jeep-dealer kan leveren.

INTERIEUR AUTO

Interieur van de auto

  1. LINKER STUURSCHAKELAAR (Exterieurverlichting)
  2. INSTRUMENTENPANEEL / DISPLAY
  3. RECHTER STUURSCHAKELAAR (Ruitenwisser en achterruitenwisser)
  4. ACC-afstandsbedieningACC-afstand instellen
    Adaptieve cruise controlAdaptieve Cruise Control (ACC) activeren/deactiveren
    Snelheidsbegrenzer activeren/deactiveren Snelheidsbegrenzer (SL) activeren/deactiveren Highway Assist / Active Driving Assist activeren/deactiveren (voor versies/markten waar aanwezig)
    SET+ ACC/SL-snelheid verhogen
    SET– ACC/SL-snelheid verlagen

    CANC ACC/SL-instellingen annuleren
    RES ACC/SL-instellingen herstellen

    BEDIENING ACHTER DE RECHTERKANT VAN HET STUUR bovenste/onderste knop: volume harder/zachter middelste knop: dempen activeren/deactiveren
  5. DISPLAY- EN TELEFOONOPDRACHTEN
    Door het displaymenu bladerenDoor het displaymenu bladeren
    Informatieschermen en submenu's openen Informatieschermen en submenu's openen
    OK Schermen openen, schermweergaven wijzigen en de instellingen bevestigen
    Inkomende oproepen/spraakopdrachten accepterenInkomende oproepen/spraakopdrachten accepteren
    10.25\10.25" displayweergave wijzigen (enkel/meerdere schermen)
    Inkomende oproep weigeren/beëindigenInkomende oproep weigeren/beëindigen
    BEDIENING ACHTER DE LINKERKANT VAN HET STUUR bovenste/onderste knop: nummers/zenders zoeken middelste knop: afspeelbron selecteren
  6. LICHTSCHAKELAAR

Lichtschakelaar

  1. Uconnect™
  2. KNOPPEN (Waarschuwingsknipperlichten, ESC OFF, Lanesense / Active Lane Management (voor versies/markten waar aanwezig) OFF, ParkSense OFF (waar aanwezig), Active ParkSense OFF (waar aanwezig), eCoasting Normal/Plus) en LED PASSAGIERSAIRBAG GEACTIVEERD/GEDEACTIVEERD

Knoppen

  1. BEDIENING AIRCONDITIONINGSYSTEEM, USB–A/USB–C-POORTEN
  2. HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK / AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK / ELEKTRISCHE DUBBELE KOPPELING AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK, PARKEERREMMEN, DRAADLOOS OPLAADVAK

AUTOMATISCH AIRCONDITIONINGSYSTEEM

Automatisch airconditioningsysteem

Ventilatieknop Aan de knop draaien: ventilatie verhogen (naar rechts)/verlagen (naar links) Op de knop drukken: airconditioningsysteem uitschakelen
A/C Airconditioningsysteem inschakelen
Recirculatie activeren/deactiveren Recirculatie activeren/deactiveren
Temperatuur verhogen/verlagen aan bestuurders-/passagierszijde Temperatuur verhogen/verlagen aan bestuurders-/passagierszijde
Luchtstroom selecteren Luchtstroom selecteren (gezicht, gezicht en voeten, voeten, voeten en voorruit, voorruit)
Voorruitverwarming Voorruitverwarming
Achterruitverwarming Achterruitverwarming
AUTO Automatische klimaatregeling activeren/deactiveren

10.25" DISPLAY

Benzine Mild Hybrid- en diesel/benzineversies:
10.25\

Plug-in Hybrid-versies:
10.25\

  1. Configureerbaar gebied
  2. Snelheidsmeter
  3. Toerenteller
  4. Kilometerteller
  5. Voor Mild Hybrid-versies: digitale indicator laadniveau hulpaccu. Voor diesel/benzineversies: digitaal weergavegebied indicator/symbool koelvloeistoftemperatuur.
  6. Ingeschakelde versnelling / TSR (Traffic Sign Recognition) en "Sailing"-modusindicaties
  7. Configureerbaar gebied / SBR-indicaties (Seat Belt Reminder)
  8. Scrollende displayschermen
  9. Digitaal weergavegebied brandstofniveau/symbool

Mild Hybrid-versies:
Mild hybride

  1. Digitale indicator laadniveau hulpaccu (48V)

HYBRID INFO
Plug-in Hybrid-versies:

Hybride info

Mild Hybrid-versies:
Mild hybride

  1. Direct beschikbaar vermogen van de warmtemotor.
  2. Vermogen van de elektromotor beschikbaar tijdens acceleratie en ingangsvermogen tijdens de regeneratiefase.

Mild Hybrid-versies:
Mild hybride

  1. Digitale indicator laadniveau hulpaccu (48V)

WAARSCHUWINGSLAMPJES EN -MELDINGEN

Waarschuwingslampje
De waarschuwingslampjes/-symbolen op het instrumentenpaneel gaan vergezeld van een speciale melding en/of een akoestische waarschuwing (indien aanwezig). Deze indicaties zijn indicatief en voorzorgsmaatregelen en mogen daarom niet worden beschouwd als uitputtend en/of als alternatief voor de informatie in de online Gebruikershandleiding, die u in alle gevallen zorgvuldig dient te lezen. Raadpleeg altijd de informatie in dit gedeelte in het geval van een storingsindicatie.
Waarschuwingslampje
Oorzaken van ontsteking en te nemen maatregelen worden in detail beschreven in de online Gebruikershandleiding. De volgende acties worden echter kort beschreven in deze Snelgids:
(*) Neem contact op met een Jeep-dealer
(**) Repareer onmiddellijk met behulp van de speciale "Tirekit"-kit en neem zo snel mogelijk contact op met een Jeep-dealer
OPMERKING
De afgebeelde waarschuwingslampjes/-pictogrammen kunnen variëren, afhankelijk van het instrumentenpaneel en de displayversies die in de auto zijn geïnstalleerd.

RODE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN

Waarschuwingslampje/-symbool Betekenis
AIRBAGSTORING (*)
LAAG REMVLOEISTOFPEIL (*)/
PARKEERREM INGESCHAKELD
EBD-STORING (*)
STORING ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING
HERINNERING VEILIGHEIDSGORDELS
BEVEILIGINGSALARM
DYNAMOSTORING (*)
DEUREN OPEN
ELEKTRONISCHE GASPEDAALREGELING (ETC)
STORING (*)
KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR
TE HOOG (*)
MOTORKAP NIET GOED GESLOTEN
ACHTERKLEP NIET GOED GESLOTEN
LAGE MOTOROLIEDRUK (*)
MOTOROLIETEMPERATUUR TE HOOG (*)
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
STORING/ DUBBELE KOPPELING
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
STORING (*)
FOUT IN DE OPLAADPROCEDURE VAN DE AUTO (*)
STORING TREKKRACHTBATTERIJ (*)
STORING HYBRIDE-ELEKTRISCH SYSTEEM (*)
PRESTATIEBEPERKING
INTERVENTIE RIJASSISTENTIESYSTEEM (DAA)
HOGE VERSNELLINGSBAKTEMPERATUUR (*)
LAAG VLOEISTOFPEIL IN DE TREKKRACHTBATTERIJ (*)
SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN

ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 1
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 2
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 3
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 4
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 5
ORANJE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 6

GROENE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN
GROENE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 1
GROENE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 2
GROENE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN - Tabel 3

BLAUWE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN

Waarschuwingslampje/-symbool Betekenis
KOPLAMPEN GROOTLICHT

WITTE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN

Waarschuwingslampje/-symbool Betekenis
ACTIEVE SNELHEIDSBEGRENZER KLAAR
LANESENSE-SYSTEEM / ACTIEF RIJSTROOKBEHEER
(voor versies/markten, waar aanwezig) ACTIEF
CRUISE CONTROL KLAAR
SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN
ZEILMODUS ACTIEF
GESPLITSTE ACHTERBANK
REGENERATIEMODUS HOOGSPANNINGSBATTERIJ ("eCoasting")
HELLINGAFDALINGSREGELING
INTELLIGENTE SNELHEIDSASSISTENTIE (ISA) KLAAR

GRIJZE WAARSCHUWINGSLAMPJES/-SYMBOLEN

Waarschuwingslampje/-symbool Betekenis
CRUISE CONTROL AAN
ACTIEVE SNELHEIDSBEGRENZER AAN

WITTE BELETTERING (Compass Plug-in Hybrid-versie)

Melding Betekenis
ELECTRIC MODUS "ELECTRIC" AAN
E-SAVE MODUS "E-SAVE" AAN
HYBRID MODUS "HYBRID" AAN

DE SLEUTELS

gevaarLET OP

  1. Slik de batterij niet in. Gevaar voor chemische brandwonden. De sleutels bevatten een kleine batterij. Als de batterij wordt ingeslikt, kan dit in slechts 2 uur ernstige inwendige brandwonden veroorzaken en de dood tot gevolg hebben. Houd nieuwe en gebruikte batterijen buiten bereik van kinderen. Als het batterijvak niet goed sluit, stop dan het gebruik van het product en houd het buiten bereik van kinderen. Als u denkt dat batterijen zijn ingeslikt of in het lichaam zijn ingebracht, zoek dan onmiddellijk medische hulp.

Waarschuwingslampje

  1. Plaats de autosleutel niet in het draadloze oplaadvak (10) afb. 3: risico op storing in de toegang tot en het starten van het systeem.
  2. Plaats geen contactloze kaarten (RFID), creditcards of metalen voorwerpen in het oplaadvak.

ONTSTEKINGSSYSTEEM

VERSIES MET ELEKTRONISCHE SLEUTEL (Keyless Enter-N-Go-systeem)

STOP: motor uit, stuurkolom vergrendeld
ENGINE: rijpositie
START: motor starten
De motor starten (met een lege batterij van de elektronische sleutel): plaats de afgeronde rand van de elektronische sleutel (de zijde tegenover het metalen inzetstuk) op het ontstekingssysteem en druk op de knop met de elektronische sleutel.
OPMERKING
Raadpleeg het hoofdstuk "De motor starten" in het gedeelte "Starten en rijden" van de Gebruikershandleiding voor meer informatie.

VERSIES MET MECHANISCHE SLEUTEL

  1. STOP: motor uit, sleutel kan worden verwijderd, stuurkolom vergrendeld
  2. ENGINE: rijpositie
  3. START: motor starten

Belangrijke informatie

  1. Verwijder altijd de sleutels en vergrendel de auto wanneer u deze verlaat.
  2. Om verschillende redenen is het gevaarlijk om kinderen zonder toezicht in een auto achter te laten. Kinderen of andere mensen kunnen zichzelf ernstig of zelfs dodelijk verwonden. Laat kinderen de parkeerrem, het rempedaal of de versnellingspook niet aanraken.
  3. Het is uiterst gevaarlijk om kinderen of dieren in een geparkeerde auto achter te laten als de buitentemperatuur erg hoog is. De hitte in de passagiersruimte kan ernstige of zelfs fatale gevolgen hebben.
  4. Verwijder de mechanische sleutel niet terwijl de auto rijdt, omdat het stuur automatisch wordt vergrendeld zodra de sleutel wordt gedraaid. Dit geldt ook wanneer auto's worden gesleept.

WERKINGSMODI, COMPASS PLUG–IN HYBRID-VERSIE

Tijdens het rijden selecteert u met de knoppen op de centrale tunnel, afb. 15, de drie verschillende werkingsmodi:

  • HYBRID
  • ELECTRIC
  • e–SAVE

De auto start in de modus "Electric" als deze modus de laatste keer dat de motor werd uitgeschakeld, was geselecteerd en als de omstandigheden goed zijn om deze in te schakelen (temperatuur, helling, laadtoestand van de hoogspanningsbatterij), anders start hij in de modus "Hybrid".

"HYBRID"-MODUS
Het activeren van de werkingsmodus "HYBRID" optimaliseert het brandstofverbruik.

"ELECTRIC"-MODUS
Wanneer de modus "ELECTRIC" is geactiveerd, zal de auto uitsluitend in elektrische werkingsmodus rijden tot een maximale snelheid van 135 km/u en totdat de hoogspanningsbatterij leeg is. Afhankelijk van of het gaspedaal volledig is ingetrapt en/of de batterij leeg is, schakelt het systeem automatisch over naar de werkingsmodus "HYBRID".

"e–SAVE"-MODUS
Het activeren van de werkingsmodus "e-SAVE" handhaaft de laadtoestand van de hoogspanningsbatterij of laadt deze op, afhankelijk van de instelling op het UConnect™-systeemdisplay (zie voor meer informatie het hoofdstuk "UConnect™" in het gedeelte "Het instrumentenpaneel en Multimedia kennen" van de Gebruikershandleiding).
Het elektrische bereik van de hoogspanningsbatterij wordt dus beschermd, waardoor deze bijvoorbeeld kan worden gebruikt voor een route in stedelijke gebieden waar het gebruik van de warmtemotor verboden is.

gevaarLET OP

  1. Met de modus "HYBRID" actief, de auto stilstaand en het ontstekingssysteem in de stand ENGINE, activeert het openen van de motorkap automatisch de warmtemotor.
  2. Met de modus "ELECTRIC" actief, de auto stilstaand en het ontstekingssysteem in de stand ENGINE, activeert het openen van de motorkap automatisch de warmtemotor.

WERKINGSWIJZEN, COMPASS MILD HYBRID-UITVOERING

De belangrijkste kenmerken van het Mild Hybrid-systeem zijn:

  • Modus "eBraking": bij het remmen, met de versnelling ingeschakeld, laadt de elektromotor de extra lithiumbatterij op (48V)
  • Modus "eCoasting": energieterugwinning tijdens het vertragen van de auto
  • Modus "eAuto" (kan worden gedeactiveerd met de knop "eAuto OFF" (eAuto UIT)): de warmtemotor wordt uitgeschakeld bij het loslaten van het gaspedaal wanneer dit compatibel is met de werkingsstrategieën
  • Modus "eCreeping": door het rempedaal los te laten zonder het gaspedaal in te trappen, kan de auto in elektrische modus beginnen te bewegen
  • Modus "eLaunch": met de warmtemotor uitgeschakeld, kan er in elektrische modus worden gestart
  • Modus "eQueueing": om een wachtrij te volgen met herhaaldelijk stoppen en starten ("Stop&Go") met behulp van "eCreeping", "eLaunch" en elektrische rijmodi
  • Modus "eBoosting": dit maakt de gelijktijdige werking van de warmtemotor en de elektromotor mogelijk (gecombineerd met de geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling)
  • Modus "eParking": voor parkeermanoeuvres bij lage snelheid met behulp van de elektromotor met de geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling in positie D (Drive) of R (Reverse)

Raadpleeg voor meer informatie de online handleiding in het hoofdstuk "Starten en rijden".

VIERWIELAANDRIJVING - JEEP ACTIVE DRIVE (4WD) EN JEEP ACTIVE DRIVE LOW (4WD LOW)

(indien aanwezig)
Knoppen voor het activeren van de functies 4WD LOCK en 4WD LOW
De knoppen in afb. 16 activeren de volgende functies:

  • 4WD LOCK: in de modus "HYBRID" (HYBRIDE) activeert dit de warmtemotor en de achterste elektromotor om vierwielaandrijving te bieden
  • 4WD LOW: dit verbetert de "off-road"-prestaties van de auto in alle rijmodi. Om de modus te activeren, schakelt u de transmissie in de neutraalstand (N) met draaiende motor en drukt u op de knop "4WD LOCK" (4WD-VERGRENDELING)

Waarschuwing
Met de 4WD LOCK- of 4WD LOW-functie geactiveerd, wordt de ELEKTRISCHE werkingsmodus automatisch gedeactiveerd: de werking van de warmtemotor wordt geactiveerd.
Waarschuwing
Het wijzigen van de modus is niet mogelijk wanneer de snelheid van de auto hoger is dan 130 km/u.

SELEC–TERRAIN™

(indien aanwezig)
Schakelaar en Selec-Terrain-modi
Beweeg de cursor (1) afb. 17 naar voren of naar achteren en laat deze los om de gewenste modus te selecteren:

  • AUTO (Automatic): continue, volledig automatische tractie. Dit kan worden geactiveerd in de modi "HYBRID" (HYBRIDE), "e-SAVE" en "ELECTRIC" (ELEKTRISCH)
  • SPORT: maximaliseert de sportieve prestaties van de auto. Dit kan worden geactiveerd in de modi "HYBRID" (HYBRIDE) en "ELECTRIC" (ELEKTRISCH)
  • SNOW: biedt meer stabiliteit in slechte weersomstandigheden. Het is bedoeld om op de weg en off-road te rijden op oppervlakken met weinig grip, zoals wegen bedekt met sneeuw. Dit kan worden geactiveerd in de modus "HYBRID" (HYBRIDE)
  • SAND/MUD: voor oppervlakken met weinig grip, zoals zand, modder of nat gras. Dit kan worden geactiveerd in de modus "HYBRID" (HYBRIDE)
  • ROCK (indien aanwezig, alleen voor Trailhawk/Soft Outdoor-uitvoeringen met actieve 4WD LOW-werking): maximaliseert de tractie en biedt de hoogste stuurmogelijkheden op off-road oppervlakken met veel grip. Het biedt de hoogste off-road prestaties, te gebruiken bij het overwinnen van obstakels bij lage snelheid, zoals grote rotsen, diepe scheuren, enz. Dit kan worden geactiveerd in de modus "HYBRID" (HYBRIDE)

De geselecteerde rijmodus wordt op het instrumentenpaneel weergegeven door een grafisch pictogram en door het bericht dat de actieve modus aangeeft.
Waarschuwing
Het wijzigen van de modus is niet mogelijk wanneer de snelheid van de auto hoger is dan 130 km/u.

BELANGRIJKE INFORMATIE

  1. Als de auto per ongeluk gedeeltelijk in water is ondergedompeld, zet dan de motor uit en verlaat de auto onmiddellijk. Vermijd fysiek contact met de overstroomde auto. Neem onmiddellijk contact op met de reddingswerkers, politie of brandweer en informeer hen dat het een auto met een hoogspanningssysteem betreft.

SPORT-MODUS

(indien aanwezig)
De SPORT-modus verbetert, indien geactiveerd, de prestaties van de auto door de motor sneller klaar te maken tijdens het accelereren. Om de SPORT-modus te activeren, drukt u op de knop (1) afb. 18 op de centrale tunnel.
SPORT-modusknop
Activering wordt aangegeven door het SPORTsymbool op het display van het instrumentenpaneel.

IDLE COASTING

(indien aanwezig - exclusief Plug-In Hybrid- en Mild Hybrid-uitvoeringen)
Deze functie bedient automatisch de koppeling, waardoor de auto kan doorrijden met de motor losgekoppeld van de wielen. De motor blijft stationair draaien, waardoor de functies van de auto actief kunnen worden gehouden (bijv.: het opladen van de batterij, airconditioning, enz.).
Activering wordt aangegeven door het symbool op het display van het instrumentenpaneel.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE/ AUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET DUBBELE KOPPELING/GEËLEKTRIFICEERDE AUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET DUBBELE KOPPELING

(indien aanwezig)
OPMERKING De geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling is alleen beschikbaar op Mild Hybrid-uitvoeringen.
Versnellingspook
De versnellingspook afb. 19 heeft de volgende standen:
P = Parkeren
R = Achteruit
N = Neutraal
D = Rijden (automatische voorwaartse snelheid)
"AutoStick": "+" schakelen naar een hogere versnelling in sequentiële rijmodus of "–" schakelen naar een lagere versnelling in sequentiële rijmodus.
Exclusief uitvoeringen met automatische transmissie: het verplaatsen van de hendel van P naar D mag alleen worden uitgevoerd als de auto stilstaat en de motor stationair draait.
Druk op de knop (1) afb. 19 om de versnellingspook in de standen P ("Parkeren") of R te zetten.
Uitvoeringen met automatische transmissie: het schakelen van stand D naar stand P (Parkeren) of R (Achteruit) mag alleen plaatsvinden na het loslaten van het gaspedaal, met de auto in stilstand en het rempedaal ingetrapt.
Uitvoeringen met automatische transmissie met dubbele koppeling/ geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling: Het schakelen van D naar N is gratis, terwijl het schakelen van D naar R of P ('Parkeren') vereist dat u op de knop op de versnellingspook drukt.

ELEKTRISCHE MOTOR ("e-machine")
(Mild Hybrid-uitvoeringen met geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling)
Een elektromotor is mechanisch verbonden met de transmissie met de volgende functies:

  • om extra koppel aan de transmissie te leveren, waardoor de prestaties van de warmtemotor worden geoptimaliseerd
  • om kinetische energie terug te winnen tijdens het remmen en deze om te zetten in elektrische energie (generatorwerking)
  • om de auto in de volledig elektrische modus te laten rijden
  • om de warmtemotor te starten terwijl de auto in beweging is

Waarschuwing
De "eAuto" (eAuto)-modus is niet actief in de "sequentiële modus".

EXTERIEURVERLICHTING

Lichten

HET INSCHAKELEN VAN DE LED-DAGRIJVERLICHTING
Ontstekingsapparaat in de stand MOTOR, parkeerrem ingeschakeld en lichtschakelaar (1) afb. 20 in de Symbool dagrijverlichtingstand. HetSymbool dagrijverlichting waarschuwingslampje/-symbool op het instrumentenpaneel gaat branden.

HET INSCHAKELEN VAN DE LED-DAGRIJVERLICHTING EN STADSLICHTEN
Ontstekingsapparaat in de stand MOTOR, parkeerrem niet ingeschakeld en lichtschakelaar Symbool dagrijverlichtingstand. Het Symbool dagrijverlichting waarschuwingslampje/-symbool op het instrumentenpaneel gaat branden.

HET INSCHAKELEN VAN DE DIMLICHTEN EN KENNENPLAATVERLICHTING
Ontstekingsapparaat in de stand MOTOR en lichtschakelaar in de stand. De LED-dagrijverlichting blijft branden terwijl de stadslichten op een lagere helderheid blijven branden.
Het waarschuwingslampje/-symbool op het instrumentenpaneel gaat branden.

HET INSCHAKELEN VAN DE HOOFDVERLICHTING
Met het ontstekingsapparaat in de stand MOTOR, duwt u de linker stuurhendel (1) afb. 21 (naar voren). Draai de lichtschakelaar naar AUTO met de dimlichten ingeschakeld, of naar de stand. Het Waarschuwingslampje grootlicht waarschuwingslampje gaat branden op het instrumentenpaneel.

HET SEINEN MET DE KOPLAMPEN
Trek de linker stuurhendel (1) naar u toe (instabiele stand) en laat deze los. Het Waarschuwingslampje grootlicht waarschuwingslampje gaat branden op het instrumentenpaneel.

AUTO-FUNCTIE (SCHEMERSENSOR)
Dit systeem schakelt de koplampen automatisch in/uit afhankelijk van het omgevingslicht.
Draai de lichtschakelaar naar AUTO.

HET INSCHAKELEN VAN DE MISTLICHTEN
Met het ontstekingsapparaat in de stand MOTOR, en de stadslichten en dimlichten ingeschakeld, drukt u op de knop (4) afb. 20.

HET INSCHAKELEN VAN DE ACHTERMISTLICHTEN
Met het ontstekingsapparaat in de stand MOTOR, drukt u op de knop (3) afb. 20.

RICHTINGAANWIJZERS
Breng de linker stuurhendel in de (stabiele) stand:

  • omhoog: activeert de rechter richtingaanwijzer
  • omlaag: activeert de linker richtingaanwijzer

Waarschuwingslampje Waarschuwingslampje richtingaanwijzer (links) of Waarschuwingslampje richtingaanwijzer (rechts) knippert op het instrumentenpaneel.

"LANE CHANGE" (RIJSTROOKWIJZIGING)-FUNCTIE
Als u een rijstrookwijziging wilt signaleren, plaatst u de linker stuurhendel minder dan een halve seconde in de instabiele stand.
De richtingaanwijzer aan de gekozen kant wordt 5 keer geactiveerd en gaat dan automatisch uit.

KOPLAMPENAFSTELLING
Neem contact op met een Jeep-dealer om de koplampen correct te laten afstellen.

Draai de ring (2) afb. 20 zodat de indicator overeenkomt met de beladingstoestand van de auto:

  • 0/1: Alleen bestuurder of bestuurder en voorpassagier
  • 3: Alle inzittenden aan boord + een gelijkmatig verdeelde lading in de bagageruimte
  • 3: Bestuurder plus een gelijkmatig verdeelde lading in de bagageruimte.

BELANGRIJKE INFORMATIE

  1. De dagrijverlichting is een alternatief voor de dimlichten om overdag te rijden in landen waar het verplicht is om overdag met verlichting te rijden; waar het niet verplicht is, is het gebruik van dagrijverlichting toegestaan.
  2. Dagrijverlichting kan de dimlichten niet vervangen wanneer u 's nachts of door tunnels rijdt. Het gebruik van dagrijverlichting is onderworpen aan de verkeersregels van het land waarin u rijdt. Voldoen aan de wettelijke vereisten.

HELP CALL (Noodoproep)

(waar aanwezig)
De auto is uitgerust met ingebouwde assistentiefuncties die zijn ontworpen om ondersteuning te bieden in geval van een ongeval en/of noodsituatie (HELP). Ze worden beheerd via de Uconnect Box.
De HELP-functie wordt geactiveerd:

  • automatisch bij een grote botsing die is geregistreerd door het apparaat aan boord van de auto
  • handmatig, met een lange druk op de HELP-knop (waar aanwezig) op de achteruitkijkspiegel fig. 22 (waar aanwezig) of door de HELPknop op het Uconnect™-systeem te selecteren
    Afbeelding van de HELP-knop op de achteruitkijkspiegel

Waarschuwing
Als de HELP-nooddienst is geactiveerd, wordt de oproep automatisch doorgeschakeld naar een privécallcenter. Let op: wanneer de tekst verwijst naar de HELP-oproep, moet deze worden beschouwd als beheerd door particuliere dienstverleners. De HELP-oproepdienst is niet het e-call-systeem voor noodoproepen zoals uiteengezet in de toepasselijke wetgeving van de Europese Gemeenschap voor nieuw goedgekeurde voertuigen. De HELP-functie wordt geactiveerd met:

  • het contact in de stand ENGINE (Motor)
  • het contact in de stand STOP (Stop) en de display van het Uconnect™-systeem aan

Nadat de HELP-functie (waar aanwezig) automatisch of handmatig is geactiveerd, stuurt een druk op de bijbehorende knop de positiegegevens naar het operationele centrum en start een spraakoproep naar een operator.
OPMERKING
Als de HELP-functie niet werkt, wordt een systeemfout weergegeven op de display. Ga in dat geval zo snel mogelijk naar een erkende werkplaats om de functie te laten repareren.
OPMERKING
Een correcte werking van de HELP-diensten wordt alleen gegarandeerd bij een goede netwerkdekking.
Waarschuwing
De HELP-functie is mogelijk niet beschikbaar gedurende de eerste minuut nadat de auto is gestart.
Privacy: GPS-locatie is altijd actief voor HELP. Als u deze deactiveert via het menu "Settings" (Instellingen) van het Uconnect™-systeem, worden sommige andere diensten niet meer beschikbaar (zie het hoofdstuk "Settings" (Instellingen) van het Uconnect™-systeem in het handboek voor de eigenaar voor meer details).

Waarschuwing
HetGeolocatie actief pictogram bovenaan de display van het Uconnect™-systeem geeft aan dat de geolocatiefunctie actief is (ON (AAN)). Wanneer geolocatie is ingeschakeld, wordt de positie van het voertuig gevolgd om de functies in te schakelen die dit vereisen. Wanneer geolocatie is uitgeschakeld, wordt de positie van het voertuig alleen gevolgd door de navigatie-, veiligheids-, verzekerings- en bestuurdersassistentiesystemen (waar aanwezig). Zie het hoofdstuk "Settings" (Instellingen) van het Uconnect™-systeem in het handboek voor de eigenaar om de functie te deactiveren.

HANDMATIGE HELP-OPROEP
(voor versies/markten, waar aanwezig)
Als het systeem niet in staat is om een spraakoproep tot stand te brengen of de verbinding wordt verbroken vanwege onvoldoende dekking, zal de HELP-dienst gedurende 5 minuten proberen het operationele centrum opnieuw te bellen.

Waarschuwing
If het HELP-oproepsysteem een storing detecteert, wordt dit aangegeven:

  • in de opstartfase
  • door de rode LED's op de achteruitkijkspiegel in te schakelen en een bericht weer te geven op de display van het Uconnect™-systeem wanneer de storing wordt gedetecteerd. Neem zo snel mogelijk contact op met een Jeep-dealer

Waarschuwing
Het negeren van waarschuwingen voor systeemfouten (rode LED op de plafondlamp) kan betekenen dat u geen HELP-oproep kunt doen wanneer dat nodig is.

KINDERBEVEILIGINGSSYSTEMEN

Voor een optimale bescherming bij een botsing, moeten alle inzittenden zitten en adequate beveiligingssystemen dragen, inclusief pasgeborenen en andere kinderen! Dit voorschrift is verplicht in alle EG-landen volgens EG-richtlijn 2003/20/EG.

AIRBAG VOORIN VOOR PASSAGIER EN KINDERBEVEILIGINGSSYSTEMEN
Naar achteren gerichte kinderbeveiligingssystemen mogen NOOIT op de voorstoel worden gemonteerd met een actieve airbag aan de passagierszijde, aangezien de activering van de airbag bij een botsing dodelijk letsel kan veroorzaken bij het vervoerde kind.
Neem ALTIJD de instructies op het label aan beide zijden van de zonneklep in acht, zie fig. 23 (voorbeeld).
Label aan de zonneklep met waarschuwing tegen gebruik van kinderzitjes naar achteren gericht met actieve airbag

De airbags voor de passagier uitschakelen: airbag voorin
De LED-lampje geactiveerde airbagLED-lampje fig. 24 geeft aan dat de airbags voorin voor de passagier actief zijn. In dit geval is het verboden om een naar achteren gericht kinderzitje op de passagiersstoel te installeren.
De LED-lampje gedeactiveerde airbagLED-lampje fig. 24 geeft aan dat de airbag voorin voor de passagier is uitgeschakeld en blijft continu branden totdat deze opnieuw wordt geactiveerd.
LED-lampjes voor geactiveerde en gedeactiveerde airbags

Waarschuwing
Om de airbag voorin voor de passagier handmatig uit te schakelen en toegang te krijgen tot de pagina "Safety" (Veiligheid) –> "Passenger airbag" (Airbag passagier) van het instrumentenpaneel via de bedieningselementen op het stuurwiel, scrolt u omhoog of omlaag met de knoppen totdat "Passenger AIRBAG ON" (Airbag passagier AAN) wordt weergegeven en drukt u op de OK-knop op het stuurwiel om de deactivering te bevestigen.

Belangrijke informatie

  1. Een onjuiste installatie kan het kinderbeveiligingssysteem ondoeltreffend maken. In feite kan het kinderbeveiligingssysteem losraken bij een ongeval. Het kind kan ernstig of dodelijk gewond raken. Volg de instructies van de fabrikant strikt bij het installeren van het kinderbeveiligingssysteem.
  2. Wanneer het kinderbeveiligingssysteem niet wordt gebruikt, zet u het vast met de veiligheidsgordel of met de ISOFIX-verankeringen, of verwijder het uit de auto. Laat het niet onbeveiligd in het passagierscompartiment liggen. Dit zorgt ervoor dat inzittenden niet gewond kunnen raken bij abrupt remmen of een ongeval.
  3. Nadat u een kinderbeveiligingssysteem in de auto hebt geïnstalleerd, mag u de stoel niet naar voren of naar achteren verplaatsen, omdat dit de bevestigingen kan losmaken. Verwijder het kinderbeveiligingssysteem om de stoelpositie aan te passen. Installeer het kinderbeveiligingssysteem opnieuw zodra de stoel is aangepast.
  4. Als een Universal ISOFIX-kinderbeveiligingssysteem niet aan alle drie de verankeringen is bevestigd, kan het kind niet correct worden beschermd. Bij een ongeval kan het kind ernstig of dodelijk gewond raken.
  5. Plaats het kinderbeveiligingssysteem wanneer de auto stilstaat. Het kinderbeveiligingssysteem is correct bevestigd aan de beugels wanneer u de klik hoort. Volg de instructies voor montage, demontage en positionering die de fabrikant bij het kinderbeveiligingssysteem moet leveren.
  6. Zorg er altijd voor dat de gordel niet onder de armen van het kind of achter de rug van het kind doorloopt. Bij een ongeval kan de veiligheidsgordel het kind niet beveiligen, met het risico op letsel, waaronder dodelijk letsel. Daarom moet het kind de veiligheidsgordel altijd correct dragen.
  7. Gebruik niet dezelfde onderste verankering om meer dan één kinderbeveiligingssysteem te installeren.
  8. Plaats het kinderbeveiligingssysteem volgens de instructies, die moeten worden meegeleverd.
  9. Ernstig gevaar. Installeer geen naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem voor een actieve airbag. Raadpleeg de waarschuwingen op de labels die op de zonneklep zijn aangebracht. Het activeren van de airbag bij een ongeval kan dodelijk letsel veroorzaken bij een baby, ongeacht de ernst van de botsing. Het is altijd raadzaam om kinderen in een kinderbeveiligingssysteem te vervoeren dat op de achterbank is geïnstalleerd, de meest beschermde positie bij een botsing.
  1. Op de zonneklep bevindt zich een label met geschikte symbolen die de gebruiker eraan herinneren dat het verplicht is om de airbag uit te schakelen als een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem is gemonteerd. Volg altijd de instructies op de zonneklep aan de passagierszijde (zie het hoofdstuk "Airbag voorin voor passagier en kinderbeveiligingssystemen" in het handboek voor de eigenaar).
  2. Wanneer een kind in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op de voorstoel aan de passagierszijde moet worden vervoerd, moeten de airbag voorin en de zijairbag aan de passagierszijde via het hoofdmenu op de display worden uitgeschakeld (zie het hoofdstuk "Display" van het onderdeel "Het instrumentenpaneel leren kennen" in het handboek voor de eigenaar). Controleer of deze is uitgeschakeld door te controleren of de OFF (UIT)-LED op het centrale dashboard brandt. Verplaats de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren om contact tussen het kinderzitje en het dashboard te voorkomen.
  3. Verplaats de voor- of achterstoel niet als er een kind op zit of op het speciale kinderbeveiligingssysteem.

TPMS (BANDENSPANNINGCONTROLESYSTEEM)

De TPMS waarschuwt de bestuurder voor een lage bandenspanning als de bandenspanning om welke reden dan ook onder de waarschuwingslimiet voor lage spanning komt, inclusief effecten van lage temperaturen en natuurlijk drukverlies via de band. De TPMS blijft de bestuurder waarschuwen voor lage bandenspanning zolang de toestand bestaat en wordt pas uitgeschakeld als de bandenspanning gelijk is aan of hoger is dan de koudbandenspanning die is voorgeschreven in de tabel "Koudbandenspanning".
OPMERKING
Als een lage bandenspanning wordt aangegeven (waarschuwingslampje instrumentenpaneel aan en waarschuwing op het speciale displayscherm), verhoogt u de spanning tot de waarde die is voorgeschreven in de tabel "Koudbandenspanning".
Zodra het systeem de bijgewerkte bandenspanningen ontvangt, wordt het systeem automatisch bijgewerkt en gaat het waarschuwingslampje uit. Er moet mogelijk tot 10 minuten met de auto worden gereden met een snelheid van meer dan 24 km/u voordat de TPMS deze informatie ontvangt.
OPMERKING
Het systeem waarschuwt alleen wanneer de bandenspanning laag is. Het kan ze niet oppompen.
OPMERKING
De TPMS is niet bedoeld ter vervanging van normaal bandenonderhoud en waarschuwt ook niet voor banddefecten. De TPMS mag niet worden gebruikt als bandenspanningsmeter bij het aanpassen van uw bandenspanning.

CORRECTE BANDENSPANNING
Als er geen lekke banden worden gedetecteerd, toont het speciale displayscherm de omtrek van de auto met de bandenspanningen, zonder waarschuwingen over lekke banden.

LAGE BANDENSPANNING
Het systeem waarschuwt de bestuurder als een of meer banden lek zijn door het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel in te schakelen en een waarschuwingsbericht op de display te geven, samen met een akoestische waarschuwing.
Deze waarschuwing wordt ook weergegeven bij het uit- en weer inschakelen van de motor, totdat de RESET-procedure is uitgevoerd (zie het hoofdstuk "TPMS" in het onderdeel "Veiligheid" van het handboek voor de eigenaar).

Belangrijke informatie

  1. De aanwezigheid van de TPMS ontslaat de bestuurder er niet van regelmatig de bandenspanning te controleren, ook van het reservewiel, en correct onderhoud uit te voeren. Het systeem wordt niet gebruikt om een mogelijk banddefect te signaleren.
  2. De bandenspanning moet worden gecontroleerd met de banden in rust en koud. Mocht het om welke reden dan ook noodzakelijk zijn om de spanning met warme banden te controleren, verlaag de spanning dan niet, ook al is deze hoger dan de voorgeschreven waarde. Herhaal de controle wanneer de banden koud zijn.
  3. Mochten er een of meer wielen zonder sensoren zijn gemonteerd (bijv. als het reservewiel is gemonteerd), dan is het systeem niet langer beschikbaar voor het vervangen wiel en wordt een waarschuwingsbericht weergegeven op de display, totdat de wielen met sensoren weer zijn gemonteerd.
  4. De TPMS kan geen plotselinge bandenspanningsdalingen aangeven (bijv. als een band knapt). Stop in dit geval de auto, rem voorzichtig en vermijd abrupt sturen.
  5. Veranderingen in de buitentemperatuur kunnen ervoor zorgen dat de bandenspanningen variëren. Het systeem kan tijdelijk een onvoldoende spanning aangeven. Controleer in dit geval de bandenspanning bij koude banden en herstel indien nodig de spanningswaarden.

Waarschuwing
Afbeelding van het TireKit

  1. De TireKit die bij de auto wordt geleverd, is compatibel met de TPMS-sensoren. Het gebruik van andere afdichtmiddelen dan die in de originele kit kan de werking ervan in gevaar brengen. Als afdichtmiddelen worden gebruikt die niet gelijkwaardig zijn aan de originele, wordt aanbevolen de werking van de TPMS-sensor te laten controleren door een gekwalificeerd reparatiecentrum.

OPLADEN (COMPASS PLUG-IN HYBRID VERSIE)

Voordat u de hoogspanningsbatterij oplaadt, wordt aanbevolen het contactapparaat op STOP te zetten om een zo snel mogelijke volledige lading te verkrijgen.
waarschuwing
Het remklauwslot wordt geactiveerd tijdens de laadprocedure: ontgrendeling vindt automatisch plaats aan het einde van de laadprocedure.

OPLAADPOORT OP DE AUTO

Om toegang te krijgen tot de oplaadpoort, opent u de oplaadklep (1) afb. 25 aan de linkerkant door op het gebied te drukken dat wordt aangegeven door de pijl.
waarschuwing
Tde binnenverlichting op de oplaadpoortklep blijft een paar seconden branden en gaat uit tijdens het opladen.

Oplaadpoort LED
Naast de oplaadpoort bevinden zich enkele LED's (1) afb. 26, die de laadstatus aangeven door middel van vier verschillende kleuren en bijbehorende knipperpatronen:
Blauw: om aan te geven dat het systeem wacht op een laadschema
Groen knipperend: ("Knipperend"): tijdens het laadproces
Continu groen: om aan te geven dat het laadproces is voltooid
Rood knipperend: ("Knipperend"): dit duidt op een storing in het laadsysteem of wanneer er een fout is in de laadprocedure (wanneer de laadconnector is aangesloten op de oplaadpoort op de auto en de kabel niet eerder op het stopcontact is aangesloten)

waarschuwing
Gebruik alleen de laadkabel die bij uw auto is geleverd of een vervangkabel die door de fabrikant wordt aanbevolen. Raadpleeg het label op de regeleenheid, waarop de "Landengroep" (1) afb. 27 en het elektrische stroomniveau (Ampère) (2) staan aangegeven, en de tabel "Mode 2 kabelvarianten" in het hoofdstuk "Te gebruiken stroombronnen" van de gebruikershandleiding.

SOORTEN OPLAADKABELS
Er kunnen twee verschillende soorten kabels worden gebruikt om op te laden: "Mode 2" (A) afb. 28 oplaadkabel (standaard): hiermee kan worden opgeladen via een geaard stopcontact. Dit type stopcontact wordt gebruikt voor het opladen met wisselstroom. De "Mode 2" oplaadkabel voldoet aan de normen IEC 61851, IEC 62752 en SAE J1772.
"Mode 3" (B) afb. 29 oplaadkabel (optioneel): hiermee kan worden opgeladen via een openbaar laadstation en een huiselijk AC-laadstation (wallbox). De laadsnelheid kan hoger zijn dan opladen via een stopcontact.

gevaarLET OP

  1. Het laadstroomniveau ("Level 1" / "Level 2" / "Level 3", enz.) kan alleen worden gewijzigd via het Uconnect™-systeemdisplay (zie het hoofdstuk "Uconnect™" in het gedeelte "Multimedia" van de gebruikershandleiding voor meer informatie). Het standaard ingestelde laadniveau is "Level 3". Voor landen waarin de 13A "Mode 2"-laadkabel kan worden gebruikt, wordt, als het stopcontact NIET GECERTIFICEERD is, aanbevolen om de "Level 4"-lading in te stellen op het maximum, wat overeenkomt met ongeveer 10A. Raadpleeg de "Mode 2-kabelvarianttabel" voor de lijst met landspecifieke kabeltypes.
  2. Om het risico op elektrische schokken of schade aan het apparaat te verminderen, moet u speciale zorg besteden aan het schoonmaken: trek ALTIJD de stekker van het apparaat uit het stopcontact en de auto-aansluitingen.

waarschuwing

  1. Vermijd het om de batterij meerdere dagen te laten liggen met de laadindicator op of bijna nul. De hoogspanningsbatterij kan beschadigd raken.

PROCEDURE VOOR HET OPLADEN VIA EEN STOPCONTACT (AC)

OPLAADPROCEDURE
belangrijke informatie
Sluit de kabel altijd eerst aan op de oplaadpoort van het stopcontact en pas daarna op de auto.
De hoogspanningsbatterij van de auto wordt opgeladen door de "Mode 2"-oplaadkabel die bij de auto wordt geleverd aan te sluiten op een AC-oplaadpoort.
Raadpleeg het hoofdstuk "Te gebruiken stroombronnen – Mode 2-kabel" in de gebruikershandleiding voor de specificaties van de "Mode 2"-kabel.
Ga als volgt te werk om op te laden:

  • parkeer de auto veilig (automatische transmissie in de stand "P" - Parkeren)
  • zet de elektrische parkeerrem vast
  • schakel de motor uit
  • haal de laadset uit de kofferbak
  • verwijder al het stof dat zich mogelijk heeft opgehoopt op de laadconnector en op de oplaadpoort
  • rol de oplaadkabel uit en sluit deze aan op een AC-oplaadpoort, afb. 30

OPMERKING
Vanaf het moment dat de stekker is aangesloten op het stopcontact, knipperen de 3 LED's op de regeleenheid van de kabel gedurende ongeveer 6 seconden (fase van het inschakelen van de regeleenheid)

  • open de oplaadklep (1) afb. 31 aan de linkerkant door op het gebied te drukken dat wordt aangegeven door de pijl
  • verwijder al het stof dat zich mogelijk heeft opgehoopt op de laadconnector en op de oplaadpoort
  • verwijder de beschermkap (2) afb. 32 van de oplaadpoort en bevestig deze aan het apparaat (3)
  • pak de laadconnector bij de handgreep (4) afb. 33, verwijder de beschermkap (indien aanwezig) en steek deze in de oplaadpoort (5) totdat u een klik hoort, wat aangeeft dat deze is vergrendeld
  • het opladen start automatisch als er geen gepland opladen is ingesteld (zie het hoofdstuk "Oplaadfuncties" in de gebruikershandleiding). Als er gepland opladen is ingesteld, drukt u op de knop (2) afb. 34 op de oplaadpoort of gebruikt u de speciale app die op uw smartphone is geïnstalleerd
  • observeer de LED's op de kabelregeleenheid om te controleren of er geen fouten in het laadsysteem zijn (zie "Laadstatus regeleenheid" in het hoofdstuk "Te gebruiken stroombronnen - Mode 2-kabel" van de gebruikershandleiding voor meer informatie). Als er geen afwijkingen zijn, gaan de groene LED's naast het stopcontact tegelijkertijd branden

OPMERKING
De laadprocedure wordt onderbroken wanneer de motorkap wordt geopend: er verschijnt een speciaal bericht op het instrumentenpaneel. Het opladen wordt opnieuw geactiveerd wanneer de motorkap correct is gesloten.

waarschuwing
Gebruik alleen de laadkabel die bij de auto is geleverd of een vervangkabel die door de fabrikant wordt aanbevolen.
waarschuwing
De hoogspanningsbatterij moet worden opgeladen in overeenstemming met de maximale ampèrewaarde die is toegestaan volgens lokale en nationale aanbevelingen voor het opladen van elektrische/hybride auto's.

EINDE VAN DE OPLAADPROCEDURE
De laadprocedure eindigt wanneer alle LED's (1) afb. 34, naast het stopcontact, continu groen branden (tijdens het opladen knippert de eerste LED, terwijl de andere LED's continu branden).

DE "MODE 2"-OPLAADKABEL LOSKOPPELEN
Tijdens de laadprocedure wordt de kabel automatisch vergrendeld op de oplaadpoort in de auto.

Ga als volgt te werk om het opladen te voltooien:

  • ontgrendel de deuren van de auto, waardoor de oplaadkabel kan worden ontgrendeld
  • koppel de kabel los van de oplaadpoort van de auto door de handgreep van de laadconnector vast te pakken en te vermijden de kabel direct te trekken, afb. 35
  • koppel de kabel los van de oplaadpoort, afb. 36
  • plaats de beschermkap terug op de oplaadpoort
  • sluit de oplaadklep en zorg ervoor dat deze goed vergrendelt
  • rol de oplaadkabel correct op en plaats de beschermkap correct terug op de laadconnector (indien aanwezig). Pas bij het oprollen op dat u de kabel niet beschadigt. Plaats de kabel vervolgens samen met de laadset in de behuizing in de kofferbak

waarschuwing
Voordat u de laadconnector loskoppelt, moet u ervoor zorgen dat de deuren zijn ontgrendeld. Als de deur is vergrendeld, staat het vergrendelingssysteem van de laadconnector geen ontkoppeling toe.

gevaarLET OP

  1. Om het risico op elektrische schokken of schade aan het apparaat te verminderen, moet u speciale zorg besteden aan het schoonmaken: trek ALTIJD de stekker van het apparaat uit het stopcontact en de auto-aansluitingen.
  2. Het laadstroomniveau ("Level 1" / "Level 2" / "Level 3", enz.) kan alleen worden gewijzigd via het Uconnect™-systeemdisplay (zie het hoofdstuk "Uconnect™" in het gedeelte "Multimedia" van de gebruikershandleiding voor meer informatie). Het standaard ingestelde laadniveau is "Level 3". Voor landen waarin de 13A "Mode 2"-laadkabel kan worden gebruikt, wordt, als het stopcontact NIET GECERTIFICEERD is, aanbevolen om de "Level 4"-lading in te stellen op het maximum, wat overeenkomt met ongeveer 10A. Raadpleeg de "Mode 2-kabelvarianttabel" voor de lijst met landspecifieke kabeltypes.
  3. Een onjuiste instelling van de laadstroomsterkte kan de stroomvoorziening van het stopcontact overbelasten of oververhitten. Brandgevaar. Pas, voordat u via andere stopcontacten oplaadt, de laadstroomsterkte aan op het stopcontact. Als u het stopcontact niet kent, stel dan het laagste niveau in. Gebruik nooit verlengsnoeren om op te laden.
  4. Een onjuiste verbinding tussen de connector en de laadklemmen vormt brandgevaar!
  1. Tijdens normaal gebruik kan het stopcontact oververhit raken. In geval van extreme oververhitting wordt het opladen onderbroken en gaat de waarschuwings-LED aan de voorkant van de kabelregeleenheid branden. Raadpleeg de tabel in de paragraaf "Storing in het laadsysteem" in het hoofdstuk "Te gebruiken stroombronnen" van de gebruikershandleiding.
  2. De "Mode 2"-oplaadkabel moet worden aangesloten op een speciaal circuit dat niet wordt gedeeld met andere apparaten die elektrische energie verbruiken.
  3. Steek geen vingers of voorwerpen in de kabeloplaadconnector.
  4. De hoogspanningsbatterij mag alleen worden opgeladen via goedgekeurde, geaarde stopcontacten of via een openbaar laadstation met behulp van de laadkabel die afzonderlijk als optie door de fabrikant wordt geleverd ("Mode 3"-oplaadkabel).
  5. Houd de oplaadklep gesloten wanneer de oplaadpoort niet in gebruik is.

waarschuwing

  1. Laad niet op als de buitentemperatuur -30°C of lager is, omdat het opladen waarschijnlijk langer duurt en het laadapparaat beschadigd kan raken.
  2. Laat de auto of de oplaadkabel niet achter in gebieden waar de buitentemperatuur lager is dan -40°C, omdat ze beschadigd kunnen raken.
  3. Bij koude temperaturen kan de oplaadkabel stijf worden. Zorg er daarom voor dat u geen overmatige kracht uitoefent op de oplaadkabel, omdat deze beschadigd kan raken.
  4. Gebruik geen persoonlijke generatoren om de hoogspanningsbatterij op te laden. Dit kan schommelingen in het opladen veroorzaken en de spanning kan onvoldoende zijn, wat kan leiden tot schade aan het autosysteem.
  5. Het opladen van de hoogspanningsbatterij met behulp van onjuiste of beschadigde stopcontacten of laadkabels en het niet opvolgen van de voorgeschreven laadprocedures kan kortsluiting, brand en mogelijk schade aan het elektrische systeem van de auto veroorzaken.
  6. Het opladen van de hoogspanningsbatterij kan langer duren als de temperatuur van de hoogspanningsbatterij hoog of laag is.
  7. U hoeft niet te wachten tot het batterijniveau laag is om op te laden. De prestaties van de batterij zijn optimaal wanneer deze regelmatig wordt opgeladen.
  1. Tijdens het opladen, vooral bij snel opladen, kunnen batterijkoelcomponenten worden geactiveerd. Het is daarom normaal om tijdens deze bewerking geluiden te horen.

RIJTIPS

Bij dagelijks gebruik kan het verbruik van een elektrisch voertuig afhangen van de volgende factoren, die een aanzienlijke impact kunnen hebben:

  • Auto-onderhoud
  • Banden spanning
  • Onnodige lasten
  • Dakdrager/skidrager
  • Elektrische apparaten
  • Gebruik van klimaatregelsysteem
  • Apparaten voor aerodynamische controle

EEN WIEL VERVANGEN

OPBERGRUIMTE KRIK/RESERVEWIEL
(indien aanwezig)
Het reservewiel, of, afhankelijk van de versie, het ruimtebesparende reservewiel, bevindt zich onder de vloer van de kofferbak.
Indien aanwezig, worden de gereedschappen bewaard in het gereedschapsvak rond de opbergruimte van het reservewiel (voor diesel- en benzineversies), of in de doos boven het reservewiel (Compass Plug–in Hybrid-versie). De krik bevindt zich in de gereedschapskist (voor diesel- en benzineversies), of in de doos boven het reservewiel (Compass Plug–in Hybrid-versie).

PROCEDURE VOOR HET VERVANGEN

  • Zet de auto op een positie waar het geen gevaar oplevert voor het tegemoetkomende verkeer, waar u de band veilig kunt vervangen en zo ver mogelijk van de kant van de weg. De ondergrond moet zo vlak en compact mogelijk zijn
  • schakel de waarschuwingslichten in en trek de elektrische parkeerrem aan
  • zet de auto in de eerste versnelling of in de achteruit of, voor versies met automatische transmissie/automatische transmissie met dubbele koppeling/geëlektrificeerde automatische transmissie met dubbele koppeling, zet de hendel in de P-stand (Parkeren)
  • schakel de motor uit
  • trek, voordat u uit de auto stapt, het reflecterende veiligheidsvest aan (indien vereist door de geldende voorschriften). Volg in elk geval de verkeersveiligheidswetten die gelden in het land waar u reist
  • als het nodig is om de auto op een hellende weg met een helling te zetten, vooral een zeer steile, of op een onstabiele ondergrond, pak dan de wig (A) en klap deze uit, zoals weergegeven in de afbeelding in fig. 37
    Wig
  • Plaats vervolgens de wig (indien aanwezig) of een steen aan de achterkant, op het wiel diagonaal tegenover het te vervangen wiel, om ongewenste bewegingen van de auto te voorkomen wanneer deze van de grond wordt getild

OPMERKING
Passagiers mogen niet in de auto blijven zitten terwijl de auto wordt opgekrikt.

  • waarschuw eventuele omstanders dat de auto op het punt staat te worden opgetild: alle personen moeten uit de buurt van de auto worden gehouden en niemand mag deze aanraken totdat deze is neergelaten. Er mag ook geen inzittende in de auto blijven
  • als de auto lichtmetalen velgen heeft, waar de naafdop de bevestigingsbouten bedekt, gebruik dan de moersleutel met grote zorg om de naafdop te verwijderen voordat u de auto optilt
  • maak, voordat u de auto optilt, met de speciale sleutel de bevestigingsbouten van het wiel met de lekke band los, maar verwijder ze niet. Zorg ervoor dat de contactoppervlakken tussen het reservewiel en de naaf schoon zijn, zodat de bevestigingsbouten niet losraken. Terwijl de band nog op de grond rust, hoeft u de bouten slechts één slag tegen de klok in te draaien
  • plaats de krik onder de auto, in de buurt van het te vervangen wiel
  • plaats de moersleutel (4) afb. 38 op het zeshoekige deel (1) van de krik (2) en draai deze met de klok mee totdat de krikbeugel stevig in het hefgedeelte van het dorpellid is gestoken. Zorg ervoor dat de beugel is uitgelijnd met de inkeping die wordt aangegeven door het symbool op de dorpelbekleding afb. 38
  • til de auto op totdat het wiel een paar centimeter van de grond is
  • verwijder de bevestigingsbouten en verwijder het wiel
  • verwijder de centreerpen in de naafdop (in het geval van lichtmetalen velgen) om de montage van het reservewiel te vergemakkelijken
  • zorg ervoor dat de contactoppervlakken tussen het reservewiel en de naaf schoon zijn, zodat de bevestigingsbouten niet losraken
  • monteer het reservewiel
  • plaats en bevestig de bouten, zonder ze vast te draaien
  • bedien de krik en laat de auto volledig zakken
  • draai de bevestigingsbouten vast, waarbij u afwisselend van de ene bout naar de tegenoverliggende bout gaat. Neem in geval van twijfel over het aandraaimoment van de bouten contact op met een Jeep-dealer
  • plaats de krik in de thermogevormde bak en open deze net genoeg om hem vast te zetten. Plaats de krikvergrendeling en het reservewiel terug

Waarschuwing

  • Let goed op passerende voertuigen als u op of nabij de rijbaan moet ingrijpen
  • Let vooral op bij het gebruik van de moersleutel om de wielbouten te verwijderen: deze kan scherpe randen hebben
  • Het verder optillen van de auto dan nodig kan de stabiliteit verminderen. De krik kan wegglijden en de mensen in de buurt verwonden. Til de auto niet hoger op dan nodig is om het wiel van de grond te tillen
  • Zorg ervoor dat het reservewiel met het ventiel naar buiten is gemonteerd. Het wiel kan beschadigd raken als het verkeerd wordt gemonteerd
  • Om letsel aan personen te voorkomen, mag het volledig vastdraaien van de bouten alleen worden uitgevoerd wanneer alle wielen van het voertuig op de grond staan, om te voorkomen dat het voertuig van de krik valt
  • Stop na ongeveer 40 km te hebben gereden en controleer of de bevestigingsbouten correct zijn aangedraaid

Belangrijke informatie

  1. Als het lekke wiel en de krik in de passagiersruimte worden achtergelaten, vormen ze een ernstig risico voor de veiligheid van de inzittenden in geval van een ongeval of een scherpe remming. Plaats daarom zowel de krik als het lekke wiel altijd in de daarvoor bestemde behuizing in de kofferbak.
  2. Het is uiterst gevaarlijk om te proberen een wiel te verwisselen aan de kant van de auto die zich naast de rijstrook bevindt: zorg ervoor dat de auto zich op voldoende afstand van de weg bevindt, om te voorkomen dat u wordt aangereden.
  3. Waarschuw andere bestuurders dat de auto stilstaat in overeenstemming met de lokale voorschriften: waarschuwingslichten, gevarendriehoek, enz. Eventuele passagiers aan boord moeten de auto verlaten, vooral als deze zwaar beladen is. Passagiers moeten uit de buurt van het tegemoetkomende verkeer blijven terwijl het wiel wordt verwisseld. Zet op hellingen of op onverharde wegen de wielen vast met de meegeleverde wielkeggen.
  4. De krik is een hulpmiddel dat is ontwikkeld en ontworpen om alleen een wiel te verwisselen, als een band lek of beschadigd raakt, op de auto waarmee hij is geleverd of op andere auto's van hetzelfde model. Elk ander gebruik, bijvoorbeeld om andere voertuigmodellen of verschillende dingen op te krikken, is ten strengste verboden. Gebruik hem nooit om onderhoud of reparaties onder de auto uit te voeren of om zomer-/winterwielen te verwisselen en vice versa; wij raden u aan contact op te nemen met een Jeep-dealer.
  5. Ga nooit onder het opgetilde voertuig: gebruik het alleen in de aangegeven posities. Gebruik de krik niet voor lasten die hoger zijn dan de last die op het label staat aangegeven. Start nooit de motor als de auto opgekrikt is. Als de auto meer dan nodig is opgekrikt, kan alles instabieler worden, met het risico dat de auto hard naar beneden valt. Til de auto daarom slechts net genoeg op om toegang te krijgen tot het ruimtebesparende wiel (indien aanwezig).
  6. Zorg er bij het draaien aan de krikhendel voor dat deze vrij kan draaien zonder dat uw hand over de grond schraapt. De bewegende onderdelen van de krik ("wormschroef" en verbindingen) kunnen ook letsel veroorzaken: raak ze niet aan. Als u in contact komt met smeervet, reinig uzelf dan grondig.
  7. Verwijder na het optillen/vergrendelen met de krik de moersleutel en pas op dat u deze NIET in de verkeerde richting draait tijdens het losmaken, omdat dit het bevestigingsmiddel kan losmaken en de veiligheid in gevaar kan brengen.
  8. Ga niet onder de auto terwijl deze met de krik is opgetild. Als het nodig is om onder de auto te werken, neem dan contact op met een Jeep-dealer, die hem op een werkplaatsbrug kan plaatsen. Gebruik de krik alleen op de aangegeven posities en alleen voor het optillen van de auto bij het verwisselen van een wiel. Besteed bij het werken op of nabij een rijbaan de grootst mogelijke aandacht aan rijdende auto's. Om ervoor te zorgen dat het opgepompte of lekke reservewiel veilig is opgeborgen, plaatst u het met de ventielsteel naar beneden gericht.
  9. De rijeigenschappen van de auto worden gewijzigd als het ruimtebesparende wiel is gemonteerd. Vermijd heftig accelereren en remmen, abrupt sturen en snel bochten nemen. De totale levensduur van het ruimtebesparende wiel is ongeveer 3000 km, waarna de betreffende band moet worden vervangen door een andere van hetzelfde type. Monteer nooit een standaardband op een velg die is ontworpen voor gebruik met een ruimtebesparend wiel. Laat het wiel zo snel mogelijk repareren en opnieuw monteren. Het is verboden om twee of meer ruimtebesparende wielen tegelijkertijd te gebruiken. Smeer de schroefdraad van de bouten niet in voordat u ze monteert, omdat ze tijdens het rijden los kunnen raken!
  10. Het ruimtebesparende wiel (indien aanwezig) of het reservewiel (indien aanwezig) is specifiek voor het voertuig; gebruik het niet op voertuigen van een ander model, noch wielen van andere modellen op uw auto. Gebruik het ruimtebesparende reservewiel of het reservewiel alleen in noodgevallen. Gebruik het nooit langer dan strikt noodzakelijk en overschrijd nooit 80 km/u. "Let op! Alleen voor tijdelijk gebruik! Maximaal 80 km/u!". Vervang zo snel mogelijk door een standaardwiel. Verwijder of bedek nooit de sticker op het ruimtebesparende wiel of het reservewiel. Breng nooit een wieldop aan op een ruimtebesparend reservewiel of een reservewiel. De rijeigenschappen van de auto worden gewijzigd als het ruimtebesparende reservewiel of het reservewiel is gemonteerd. Vermijd heftig accelereren en remmen, abrupt sturen en snel bochten nemen.
  11. Het ruimtebesparende wiel (indien aanwezig) kan niet worden uitgerust met sneeuwkettingen. Als een voorband (aangedreven band) lek is en kettingen nodig zijn, gebruik dan een standaardwiel van de achteras en installeer het ruimtebesparende wiel op de achteras. Op deze manier is het met twee normale aandrijfwielen op de vooras mogelijk om sneeuwkettingen te gebruiken.

Waarschuwing

  1. Probeer niet om de auto met de krik op te tillen op andere plaatsen dan die welke zijn aangegeven in de "Instructies voor het gebruik van de krik" voor deze auto.

TIREKIT

(waar aanwezig)
De auto kan afhankelijk van de versie zijn uitgerust met een andere TireKit (OPT1-kit of OPT2-kit).

Voorbereidende handelingen
Ga als volgt te werk:

  • stop de auto op een plaats die geen gevaar oplevert voor het tegemoetkomende verkeer, waar u het wiel veilig kunt verwisselen. De auto moet worden gestopt in een berm, op een parkeerplaats of een parkeer- of servicegebied, en de ondergrond moet zo vlak mogelijk en voldoende stevig zijn
  • zet de motor af, schakel de alarmlichten in, zet de elektrische parkeerrem op en schakel de 1e versnelling in als u bergopwaarts staat of de achteruitversnelling als u bergafwaarts staat voor versies met handgeschakelde versnellingsbak. Zet hem in de stand P voor versies met automatische versnellingsbak
  • draai de wielen volledig
  • plaats bij een steile helling een wig of steen achter de wielen
  • trek, voordat u uit de auto stapt, het reflecterende veiligheidsvest aan (indien vereist door de geldende voorschriften). Volg in ieder geval de verkeersveiligheidswetten die van kracht zijn in het land waar u reist
  • zorg ervoor dat alle passagiers uit de auto stappen en naar een veilige plaats gaan waar ze het verkeer niet hinderen of worden blootgesteld aan het risico op letsel. Vervang bij een lekke band de band in overeenstemming met de wetten van het land waarin u reist

OPT1-KIT - BESCHRIJVING
De TireKit bevindt zich in de bagageruimte in een eigen doos.
De container is tevens voorzien van een schroevendraaier, de sleepring en de trechter voor het bijtanken in noodgevallen.
Om toegang te krijgen tot de TireKit opent u de achterklep, verwijdert u het herconfigureerbare laadvlak en tilt u de mat op. Raadpleeg voor meer gedetailleerde informatie het hoofdstuk "Een wiel verwisselen".

De TireKit afb. 39 bestaat uit:

  • een patroon (A) met afdichtmiddel en voorzien van: transparante buis voor het injecteren van het afdichtmiddel en sticker (C) met de tekst MAX 80 km/u / 50 mph, die na reparatie van de band op een duidelijk zichtbare plaats moet worden aangebracht (bv. op het dashboard)
  • één compressor (B)
  • een paar handschoenen in het slangcompartiment van de patroon (D)

Reparatieprocedure
Ga als volgt te werk:

  • plaats de (patroon A) afb. 39 met het afdichtmiddel in het daarvoor bestemde compartiment van de compressor (B) en druk deze stevig aan. Verwijder het zelfklevende snelheidslabel (C) en breng het aan op een zichtbare plaats
  • draag de handschoenen
  • verwijder de dop van het ventiel van de band en sluit de transparante buis van de afdichtvloeistof (D) afb. 39 aan op het ventiel en schroef deze vast. Als er een patroon van 250 ml aanwezig is, is de behuizing van de transparante buis voorzien van een verwijderbare ring om de extractie te vergemakkelijken
  • Zorg ervoor dat de AAN-UIT-knop (F) afb. 40 in de uit-stand staat (knop niet ingedrukt)
  • steek de stekker in het 12 V-stopcontact van de auto en start de motor
  • bedien de compressor door op de AAN-UIT-knop (F) afb. 40 te drukken. Wanneer de manometer (G) de aanbevolen druk bereikt (zie het hoofdstuk "Velgen en banden" in het gedeelte "Technische gegevens" van het instructieboekje) of de druk die op het specifieke label staat aangegeven) stopt u de compressor door nogmaals op de AAN-UIT-knop te drukken)
  • koppel de patroon (A) afb. 41 los van de compressor door op de ontgrendelknop (H) afb. 41 te drukken en de patroon omhoog te tillen

Als de manometer (G) afb. 40 15 minuten na het starten van de compressor een druk aangeeft die lager is dan 1,8 bar (26 psi) schakelt u de compressor uit, koppelt u de slang van de afdichtvloeistof (D) afb. 39 los van het ventiel van de band en verwijdert u de patroon (A) uit de compressor. Verplaats de auto ongeveer 10 meter om de verdeling van het afdichtmiddel mogelijk te maken. Stop op een veilige manier, zet de elektrische parkeerrem op en herstel de druk tot de voorgeschreven waarde met behulp van de zwarte opblaaspijp (L) afb. 42. Als de druk 15 minuten na het inschakelen nog steeds lager is dan 1,8 bar (26 psi), hervat de rit dan niet, maar neem contact op met een Jeep-dealer.
Nadat u ongeveer 8 km / 5 mijl hebt gereden, plaatst u de auto op een veilige en geschikte plaats en zet u de elektrische parkeerrem aan. Neem de compressor en herstel de druk met behulp van de zwarte opblaasslang (L) afb. 42.

Als de aangegeven druk hoger is dan 1,8 bar (26 psi), herstelt u de druk en rijdt u zo snel mogelijk veilig naar een Jeep-dealer. Als de druk echter lager is dan 1,8 bar (26 psi), hervat de rit dan niet, maar neem contact op met een Jeep-dealer.

Opblaasprocedure
Ga als volgt te werk:

  • stop de auto veilig, zoals hierboven beschreven, en zet de elektrische parkeerrem aan
  • haal de zwarte opblaasslang (L) afb. 42 eruit en schroef deze stevig vast op het ventiel van de band

Druk op de luchtkraan (M) afb. 40 om eventuele overdruk in de band te corrigeren.

OPT2-KIT - BESCHRIJVING

  1. Manometer
  2. Instructielabel
  3. AAN-UIT-schakelaar

  1. Luchtslang
  2. Leegloopknop
  3. 12 V-voedingskabel / stekker

  1. Dop voor de fles afdichtmiddel
  2. Fles afdichtmiddel en vervaldatum
  3. Snelheidslabel

Beschrijving

De snelle bandenreparatieset afb. 46 bevindt zich in de bagageruimte of in de gereedschapskist en bestaat uit een compressor (B) en een patroon (A) met afdichtvloeistof en een zelfklevende sticker (C) met de tekst "Max. 80 km/u", die na de bandenreparatie op een duidelijk zichtbare plaats moet worden aangebracht (bijv. instrumentenpaneel).

Reparatieprocedure

Ga als volgt te werk:

  • neem de kit, maak de snelheidslimietsticker (I) afb. 45 los en breng deze aan op een duidelijk zichtbare plaats afb. 47
  • open de dop op de compressor, plaats de patroon en draai een kwartslag met de klok mee, afb. 48
  • verwijder de dop van het ventiel van de band en schroef de zwarte compressorslang op het ventiel
  • zorg ervoor dat de AAN/UIT-knop in de UIT-stand staat (knop in stand 0)
  • steek de stekker afb. 49 in het 12V-stopcontact van de auto
  • activeer de compressor door de AAN-UIT-knop, afb. 50, in de AAN-stand te zetten (knop in stand I)
  • wanneer de manometer de voorgeschreven druk aangeeft die in het instructieboekje staat vermeld (hoofdstuk "Wielen", onderdeel "Technische gegevens") of op het label, schakelt u de compressor uit door de knop in de UIT-stand (O) te zetten

Als de manometer afb. 51 10 minuten na het starten van de compressor een druk aangeeft die lager is dan 2 bar/ 29 psi, schakelt u de compressor uit, koppelt u de zwarte slang van de compressor los van het ventiel van de band en haalt u de patroon uit de compressor door deze een kwartslag tegen de klok in te draaien en op te tillen. Verplaats de auto ongeveer 10 meter om de verdeling van het afdichtmiddel mogelijk te maken.

Zet de motor af, schakel de alarmlichten in; stop het voertuig veilig, zet de parkeerrem op; schakel de 1e versnelling in als u bergopwaarts staat of de achteruitversnelling als u bergafwaarts staat; alle wielen gestuurd; plaats bij een steile helling een wig of steen achter de wielen en herstel de druk met behulp van de zwarte compressorslang afb. 51 totdat de voorgeschreven druk is bereikt.
Als de druk 10 minuten na het inschakelen nog steeds lager is dan 2 bar/ 29 psi, hervat de rit dan niet, maar neem contact op met een Jeep-dealer.
Nadat u ongeveer 8 kmb/ 5 mijl hebt gereden, plaatst u het voertuig op een veilige en gemakkelijke plaats, zet u de motor af, schakelt u de alarmlichten in, zet u de parkeerrem op; schakel de 1e versnelling in als u bergopwaarts staat of de achteruitversnelling als u bergafwaarts staat met alle wielen gestuurd. Plaats bij een steile helling een wig of steen achter de wielen.
Neem de compressor en herstel de druk met behulp van de zwarte opblaasslang. Als de aangegeven druk hoger is dan 2 bar/ 29 psi, herstelt u de druk en rijdt u zo snel mogelijk veilig naar een Jeep-dealer. Als de druk echter lager is dan 2 bar/ 29 psi, hervat de rit dan niet, maar neem contact op met een Jeep-dealer.

Overdrukventiel

Als de bandenspanning hoger is dan verwacht, is het mogelijk om deze na het uitschakelen van de compressor te verlagen met behulp van de knop afb. 53 die zich naast de zwarte slangaansluiting bevindt.


  1. Overschrijd de 80 km/u niet. Vermijd plotseling optrekken of remmen. De TireKit biedt een tijdelijke reparatie, daarom moet de band zo snel mogelijk door een specialist worden onderzocht en gerepareerd. Controleer, voordat u de TireKit gebruikt, of de band niet overmatig beschadigd is en of de velg in goede staat is, anders gebruik hem dan niet en bel de pechhulp. Verwijder geen vreemde voorwerpen uit de band.
  2. Lekke banden aan de zijkanten van de band kunnen mogelijk niet worden gerepareerd. Gebruik de TireKit niet als de band is beschadigd als gevolg van gebruik met een te lage bandenspanning.
  3. Draag de beschermende handschoenen die bij de TireKit worden geleverd.
  4. Breng het zelfklevende label aan op een plaats waar het gemakkelijk door de bestuurder kan worden gezien als herinnering dat de band is behandeld met de TireKit. Rijd voorzichtig, vooral in bochten.
  5. Reparaties zijn niet mogelijk in geval van schade aan de velg (slechte groefvervorming die luchtverlies veroorzaakt). Verwijder het vreemde voorwerp (schroeven of spijkers) niet uit de band.
  1. Zoals vereist door de geldende voorschriften, staat de informatie over chemische stoffen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en over het veilige gebruik van de afdichtvloeistof op het etiket van de verpakking. Naleving van de aanduidingen op het etiket is een essentiële voorwaarde om de veiligheid en de effectiviteit van het product te garanderen. Denk eraan om het etiket vóór gebruik zorgvuldig te lezen; de gebruiker van het product is verantwoordelijk voor eventuele schade veroorzaakt door onjuist gebruik. De afdichtvloeistof heeft een vervaldatum. Vervang de fles als het afdichtmiddel is verlopen.
  2. De TireKit is niet geschikt voor definitieve reparaties, dus de gerepareerde banden mogen slechts tijdelijk worden gebruikt. De TireKit biedt een tijdelijke reparatie, daarom moet de band zo snel mogelijk door een specialist worden onderzocht en gerepareerd.
  3. Waarschuw andere bestuurders dat de auto stilstaat in overeenstemming met de plaatselijke voorschriften: alarmlichten, gevarendriehoek, enz. Alle passagiers aan boord moeten de auto verlaten, vooral als deze zwaar beladen is. Passagiers moeten uit de buurt blijven van het tegemoetkomende verkeer terwijl het wiel wordt verwisseld. Gebruik op heuvels of oneffen wegen wielkeggen of geschikte voorwerpen om de wielen van de auto te blokkeren.
  4. Laat de compressor nooit langer dan 20 minuten achter elkaar werken. Risico op oververhitting.
  5. Als de druk onder de 1,8 bar zakt, rijd dan niet verder: de TireKit kan geen goede afdichting garanderen omdat de band te beschadigd is. Neem contact op met een Jeep-dealer.
  6. Lees het etiket van de patroon zorgvuldig vóór gebruik en vermijd oneigenlijk gebruik. De kit moet door volwassenen worden gebruikt en mag niet door kinderen worden gebruikt.
  7. Laat de compressor niet langer dan 10 minuten achter elkaar aan staan - gevaar voor oververhitting.
  8. Gebruik de kit alleen als de band lek is.


  1. De afdichtvloeistof is effectief bij buitentemperaturen van -40°C tot +50°C. De afdichtvloeistof heeft een vervaldatum en moet periodiek worden vervangen. Het is mogelijk om banden te repareren met loopvlakschade tot een maximale diameter van 6 mm. Laat de patroon en het etiket zien aan het personeel dat de met de TireKit behandelde band moet hanteren.
  2. Het oppervlak van de slang kan heet zijn.


  1. Gooi de bus met afdichtvloeistof niet in het milieu. Laat ze afvoeren in overeenstemming met de nationale en lokale voorschriften.

ZEKERINGEN

Belangrijke informatie

  1. Vervanging van een zekering. Alle werkzaamheden mogen uitsluitend worden uitgevoerd door een Jeep-dealer of een gekwalificeerde reparatiewerkplaats. De vervanging van een zekering door een derde partij kan een ernstige storing aan de auto veroorzaken.
  2. Installatie van elektrische accessoires. Het elektrische circuit van de auto is ontworpen om te functioneren met standaard- of optionele apparatuur. Neem contact op met een Jeep-dealer of een gekwalificeerde reparatiewerkplaats voordat u andere elektrische apparatuur of accessoires in het voertuig installeert.

Waarschuwing

  1. De fabrikant is niet aansprakelijk voor kosten die voortvloeien uit autoreparaties of afwijkingen die voortvloeien uit de installatie van accessoires die niet door de Jeep-fabrikant zijn geleverd of aanbevolen en niet volgens de specificaties zijn geïnstalleerd, in het bijzonder wanneer het gecombineerde verbruik van alle aangesloten extra apparatuur meer dan 10 mA bedraagt.

BIJVULLEN

1.3-liter 130 PK 1.3 150 PK 1.3 190 PK/
1.3 240 PK (*)
1.5 130 PK (****) Voorgeschreven brandstoffen en originele smeermiddelen
Brandstoftank (liters): 55 55 42.5 / 36.5 (°) 55 Loodvrije benzine met ten minste 95 R.O.N. (EN228-specificaties)
Inclusief een reserve van (liters): 8 8 8
Motor koelsysteem (liters): 7.5 7.5 5.4 5.5 Mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP (**)
Hoogspanningskoelsysteem (liters) (***): 7.0
Hulpkoelsysteem elektronische componenten (liters) (****) (*****): 6.05
Motorcarter (liters): 4.5 4.5 4.2 4.1 0W-20 SELENIA ECO2
(benzineversies 1.3 130/150 PK en Mild Hybrid-versies 1.5 130 PK) / 0W-30 SELENIA DIGITEK P.E.

(Plug-in Hybrid 190/240 PK-versies)
Motorcarter en filter (liters): 4.7 4.7 4.5 4.3
Versnellingsbakbehuizing/differentieel (kg): 1.8 1.8 6.5 5.5 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE (1.3 130/150 PK-versies) /
TUTELA TRANSMISSION GI/VI (Plug-in hybride versies) / TUTELA DCT 700 H (Mild hybride versies)
Hydraulisch remcircuit (liters): 0.83 0.83 1.14 1.14 TUTELA TOP EVO
Reservoir ruitensproeiervloeistof (liters): 2.5 2.5 2.5 2.5 Mengsel van water en vloeibare PETRONAS DURANCE SC 35

(°) Trailhawkb/ Euro 6D Final-versies
(*) Compass Plug–in Hybrid-versies
(**) Wanneer het voertuig wordt gebruikt in bijzonder zware weersomstandigheden, raden we aan een mengsel van 60% PARAFLUUP en 40% gedemineraliseerd water te gebruiken
(***) OPMERKING De koeltank voor het hoogspanningssysteem kan niet door de bestuurder worden bijgevuld. Neem contact op met een Jeep-dealer om deze zekeringen te vervangen
(****) Compass Mild Hybrid-versies
(*****) OPMERKING De koeltank voor de 48V-hulpaccu kan niet door de bestuurder worden bijgevuld. Neem contact op met een Jeep-dealer om deze zekeringen te vervangen

1.6-liter 16V Multijet Voorgeschreven brandstoffen en originele smeermiddelen
Brandstoftank (liters): 55 Diesel voor motorvoertuigen (EN590-specificatie)
Inclusief een reserve van (liters): 8
AdBlue ® tank (indien aanwezig) inhoud ongeveer (liters): 13 AdBlue ® (DIN 70 070 en ISO 22241-1 specificaties)
Motor koelsysteem (liters): 5.5 Mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP (*)
Motorcarter en filter (liters): 4.8 0W–20 SELENIA WR FORWARD
Versnellingsbak/differentieelbehuizing (liters): 1.8 TUTELA TRANSMISSION GEARFORCE
Hydraulisch remcircuit (liters): 0.83 TUTELA TOP EVO
Reservoir ruitensproeiervloeistof (liters): 2.5 Mengsel van water en vloeibare PETRONAS DURANCE SC 35

(*) Wanneer het voertuig wordt gebruikt in bijzonder zware weersomstandigheden, raden we aan een mengsel van 60% PARAFLUUP en 40% gedemineraliseerd water te gebruiken

UCONNECT™

GRAFISCHE KNOPPEN OP HET DISPLAY
(1) afb. 54 (10,1-inch versie), afb. 55 (8,4-inch versie) (voor versies/markten, indien aanwezig).

Home: Het hoofdscherm weergeven
Media: Toegang tot de Media-modus om beschikbare bronnen, maptracks en interactie met audio-instellingen te selecteren
Comfort: Instellingen van het klimaatregelsysteem
Phone: Toegang tot de telefoonmodus
Vehicle: Toegang tot extra auto-instellingen en functies
Navigator (indien aanwezig): Navigatiesysteem starten
Apps: Toegang tot de lijst met beschikbare Apps

BEDIENING OP HET STUURWIEL EN ACHTER HET STUUR
Zie de beschrijving in het hoofdstuk ''Interieur'' afb. 1.

TOUCHSCREEN-FUNCTIE
Het systeem maakt gebruik van de touchscreen-functies; om met de verschillende functies te communiceren, drukt u op de grafische knoppen die op het display worden weergegeven.
Om een selectie te bevestigen, drukt u op de grafische knop "OK" (OK) of vinkt u de gewenste selectie aan.
De bevestiging van sommige functies of instellingen gaat gepaard met een speciaal geluidssignaal.
Om terug te keren naar het vorige scherm, drukt u op de grafische knop "X" (Verwijderen) of , afhankelijk van het actieve scherm.
Om terug te keren naar het startscherm of de beginpositie, drukt u op de grafische knop HOME. De touchscreen-functies kunnen worden gebruikt om de beschikbare lijsten met muzieknummers, telefoonnummers, instellingen, enz. te openen en te bekijken. Beweeg uw vinger over het scherm om door lijsten en selecties te scrollen. Houd uw vinger ingedrukt en beweeg omhoog om de items onderaan de lijst weer te geven; beweeg omlaag om de items bovenaan de lijst weer te geven. Houd uw vinger op het scherm en beweeg uw vinger naar rechts om de lijsten aan de linkerkant te zien; beweeg uw vinger naar links om de lijsten aan de rechterkant van het scherm te zien.
Dezelfde bewerking kan worden uitgevoerd om tussen pagina's te bewegen.
Druk met uw vinger op het gekozen veld of de knop om het veld te selecteren of de functie uit te voeren die aan de knop is gekoppeld.

USB-BRON
Het dashboard heeft maximaal twee USB-poorten (9) afb. 3 (één type A en één type C, indien aanwezig) om gegevens over te dragen naar het Uconnect™-systeem, en (indien aanwezig) een tweede type A USB-poort aan de achterkant van de middenconsole.

APPLE CARPLAY EN ANDROID AUTO
Om Apple CarPlay en Android Auto te activeren, sluit u een compatibele smartphone aan op de USB-poort van de auto of in draadloze modus. De inhoud van de telefoon wordt automatisch weergegeven op het Uconnect™-systeemdisplay.
Na de installatieprocedure wordt de applicatie automatisch op het Uconnect™-systeem uitgevoerd wanneer uw smartphone is aangesloten op de USB-poort in de auto.
Waarschuwing
De functie ''dubbele telefoon'' is niet beschikbaar tijdens het gebruik van de telefoon in CarPlay- of Android Auto-modus.

HYBRIDE SYSTEEMSCHERMEN (Plugin hybride versie)
Ga als volgt te werk:

  • selecteer de grafische knop "Vehicle" (Voertuig) of "Apps" (Apps) op de Uconnect™ en selecteer vervolgens "E. Hybrid"
  • als de laadkabel op de auto is aangesloten, selecteert u de functie "Activate PHEV" (PHEV activeren)

De menu's voor de volgende modi verschijnen op het display: "Power Flow" (Vermogensstroom), "Driving History" (Rijgeschiedenis), "Schedules" (Schema's), "e–Save", "Charge Settings" (Laadinstellingen).

Vermogensstroom
Via de functie "Power Flow" (Vermogensstroom) is het mogelijk om op het display informatie te zien over de verdeling van het vermogen dat wordt verbruikt/geleverd door de systemen "Engine" (Motor), "Battery" (Accu) en "Climate Control" (Klimaatregeling).

Rijgeschiedenis
Met behulp van de functie "Driving History" (Rijgeschiedenis) kunt u de grafieken (met betrekking tot de "Previous Week" (Vorige week) en "Current Week" (Huidige week)) op het display bekijken met informatie over: "Distance Travelled" (Afgelegde afstand), "Regeneration" (Regeneratie).

Schema's
Met de functie "Schedules" (Schema's) kunt u het automatische dual-zone klimaatregelsysteem en/of het opladen van de hoogspanningsaccu plannen.
Wanneer u het voertuig oplaadt, of als de hoogspanningsaccu voldoende is opgeladen, kunt u de preconditioning van de passagiersruimte activeren voordat u gaat rijden.

e–Save
De functie "eSave" beschermt de laadtoestand van de hoogspanningsaccu of gebruikt de warmtemotor om de hoogspanningsaccu op te laden.
De functies "Battery save" (Accu sparen) of "Battery charge" (Accu opladen) kunnen worden geselecteerd.

Laadinstellingen
Met de functie "Charge Setting" (Laadinstelling) kunt u het vermogensniveau/stroomverbruik tijdens het opladen instellen. Selecteer het weergegeven niveau op het display, dat varieert van een minimum niveau ("Lvl "1') tot een maximum niveau ('Lvlb5").
Het laadniveau van de hoogspanningsaccu (uitgedrukt als een percentage) wordt grafisch op het display weergegeven.

HYBRIDE SYSTEEMSCHERMEN (Mild hybride versies)
Ga als volgt te werk:

  • selecteer de grafische knop "Vehicle" (Voertuig) of "Apps" (Apps) op de Uconnect™ en selecteer vervolgens "E. Hybrid"

De menu's voor de volgende modi verschijnen op het display: "Power flow" (Vermogensstroom) en "Driving history" (Rijgeschiedenis).

Vermogensstroom
Om informatie weer te geven over de verdeling van het vermogen dat wordt verbruikt/geleverd door de systemen "Engine" (Motor) en "Battery" (Accu).

Rijgeschiedenis
Om de grafieken (met betrekking tot de "Previous Week" (Vorige week) en "Current Week" (Huidige week)) op het display weer te geven met informatie over: "Distance Travelled" (Afgelegde afstand) en "Regeneration" (Regeneratie).

WIDGETS
Op de hoofdpagina kunt u overzichtspagina's van Uconnect™-systeemfuncties (genaamd ''widgets'') bekijken uit een lijst met beschikbare widgets. Om een Widget toe te voegen, drukt u op de knop op het display en selecteert u de gewenste Widget uit de lijst.
Sommige Widgets kunnen ook worden aangepast door op de knop naast de titel te drukken.
Hiermee opent u het aanpassingsscherm.
Het aantal Widgets dat per pagina kan worden geïnstalleerd, is afhankelijk van hun grootte. U kunt meerdere pagina's toevoegen (tot maximaal vijf in totaal) door op de knop ''+'' op het display te drukken. Om tussen pagina's te wisselen, tikt u kort op de pagina en veegt u met uw vinger naar rechts of naar links.
Pagina's kunnen worden verwijderd met de functie ''Pagina verwijderen'' of opnieuw worden gerangschikt met de functie ''Pagina's opnieuw rangschikken''.
OPMERKING
Aanpassing is alleen actief wanneer de auto stilstaat. Als er een poging wordt gedaan om aan te passen terwijl de auto in beweging is of om het rijden te hervatten zonder de procedure te hebben voltooid, verschijnt er een waarschuwingsbericht op het display en wordt de bewerking beëindigd.

WIELEN

KOUDE BANDENSPANNING (BAR)
Benzine-, Mild Hybrid- en Dieselversies
215/60 R17 96H/ 96V/100V XL (***)
235/60 R17 102H (***)
225/55 R18 98V/98H (***)

Onbeladen en gemiddelde belasting:

  • Voor: 2.4
  • Achter: 2.2

Volledige belasting:

  • Voor: 2.4
  • Achter: 2.2

235/50 R18 101V XL (***)
235/45 R19 99V XL/ 99H XL (***)

Onbeladen en gemiddelde belasting:

  • Voor: 2.4
  • Achter: 2.2

Volledige belasting:

  • Voor: 2.4
  • Achter: 2.2

Normaal formaat reservewiel:
2.4 (*) (**)

Ruimtebesparend wiel: 4.2 (*)
(*) Indien aanwezig.
(**) Na gebruik van het reservewiel in een noodgeval, indien nodig, de druk van het wiel zo snel mogelijk aanpassen aan de aanbevolen waarde, met verwijzing naar de volgende tabel.
(***) De gespecificeerde druk is gericht op comfort. Om brandstofefficiëntie te bevorderen, kan de bandenspanning worden verhoogd tot maximaal 3.0 bar op de voorbanden en tot 2.8 bar op de achterbanden.

Plugiin Hybrid-versies
215/60 R17 96H/ 96V/100V XL (*)
235/60 R17 102H (***)
235/50 R18 101V XL (***)
235/45 R19 99V XL/ 99H XL (***)
215/65 R17 99S (**)

Onbeladen en gemiddelde belasting:

  • Voor: 2.4
  • Achter: 2.4

Volledige belasting:

  • Voor: 2.6
  • Achter: 2.6

(*) Niet-originele band: deze mag alleen worden gemonteerd als er 7 mm sneeuwkettingen worden gebruikt.
(**) Reservewiel (optioneel)
(***) De aangegeven druk is gericht op comfort. Om brandstofefficiëntie te bevorderen, kan de bandenspanning worden verhoogd tot maximaal 3.0 bar voor alle banden.

CONNECTED SERVICES

Voor meer informatie:

Download handleiding

Hier kunt u de volledige pdf-versie van de handleiding downloaden. Deze kan aanvullende veiligheidsinstructies, garantie-informatie, FCC-regels, enz. bevatten.

Download Jeep COMPASS 2023 - Handleiding auto

Beschikbare talen

Inhoudsopgave