Chevrolet CRUZE 2018 Handgeschakeld

INSTRUMENTENPANEEL

INSTRUMENTENPANEEL - Deel 1
INSTRUMENTENPANEEL - Deel 2

SYMBOLEN
SYMBOLEN - Deel 1
SYMBOLEN - Deel 2
Infotainmentsysteem met 8-inch* diagonaal scherm F getoond
Raadpleeg uw gebruikershandleiding voor informatie over de informatie die wordt doorgegeven door de lampjes, meters en indicatoren van het instrumentenpaneel.
Zie In het kort in uw gebruikershandleiding.
Optionele uitrusting
*Scherm diagonaal gemeten

TRANSMITTER AFSTANDSBEDIENING VOOR SLEUTELLOZE TOEGANG

Systeem voor sleutelloze toegang met afstandsstart getoond

Vergrendelen
Druk hierop om alle deuren te vergrendelen.

Ontgrendelen
Druk hierop om de bestuurdersdeur te ontgrendelen.
Druk nogmaals om alle deuren te ontgrendelen.

Kofferbak/Achterklep
Druk tweemaal snel om de kofferbak/achterklep te openen.

Voertuigzoeker/Paniekalarm
Druk kort om uw voertuig te lokaliseren.
Houd ingedrukt om het alarm te activeren.
Opmerking: Om de instellingen voor vergrendelen op afstand, ontgrendelen en starten op afstand te wijzigen, gaat u naar Settings (Instellingen) > Vehicle (Voertuig) > Remote Lock, Unlock, Start (Vergrendelen op afstand, ontgrendelen, starten).

Starten voertuig op afstand
Druk kort op de vergrendelknop en houd vervolgens de knop ingedrukt totdat de richtingaanwijzers knipperen om de motor van buiten het voertuig te starten. Nadat u het voertuig bent binnengegaan, zet u het contact aan.

  • Tijdens een afstandsstart draait de motor gedurende 15 minuten.
  • Houd de knop ingedrukt totdat de parkeerlichten uitgaan om een afstandsstart te annuleren.

Sleutel vrijgeven (Transmitter voor sleutelloze toegang)
In geval van stroomverlies van het voertuig, drukt u op de knop aan de zijkant van de transmitter om de deursleutel uit te trekken. Verwijder de dop aan de achterkant van de deurgreep van de bestuurder om toegang te krijgen tot het slot.
Zie Sleutels, deuren en ramen in uw gebruikershandleiding.

SYSTEEM VOOR SLEUTELLOZE TOEGANG

Het systeem voor sleutelloze toegang maakt het mogelijk om de deuren, het contact en de kofferbak/achterklep te bedienen zonder de transmitter van de afstandsbediening voor sleutelloze toegang uit een zak of tas te halen. De transmitter moet zich binnen 1 meter van een deur of de kofferbak/achterklep bevinden.

SLEUTELLOOS ONTGRENDELEN
Met de transmitter binnen bereik:

  • Druk op de vergrendelknop op de deurgreep van de bestuurder om de bestuurdersdeur te ontgrendelen; druk er binnen 5 seconden nogmaals op om alle deuren te ontgrendelen.
  • Druk op de vergrendelknop op een deurgreep van een passagier om alle deuren te ontgrendelen.
  • Druk op het touchpad boven de nummerplaat of aan de basis van de achterklep om de kofferbak/achterklep te openen.

SLEUTELLOOS VERGRENDELEN
Met het contact uit, de transmitter uit het voertuig en alle deuren gesloten:

  • Druk op de vergrendelknop op een deurgreep om alle deuren onmiddellijk te vergrendelen.
  • Als Passive Locking is ingeschakeld, worden alle deuren automatisch vergrendeld na een korte vertraging zodra alle deuren gesloten zijn.

Opmerking: Om de instellingen voor het vergrendelen en ontgrendelen van de deuren te wijzigen, gaat u naar Settings (Instellingen) > Vehicle (Voertuig) > Remote Lock, Unlock, Start (Vergrendelen op afstand, ontgrendelen, starten).
Zie Sleutels, deuren en ramen in uw gebruikershandleiding.
F Optionele uitrusting

SLEUTELLOOS (DRUKKNOP) STARTENF

De transmitter van de afstandsbediening voor sleutelloze toegang moet zich in het voertuig bevinden om het contact aan te zetten.

DE MOTOR STARTEN

  • Met de transmissie in Park (P) of Neutraal (N), drukt u op het rempedaal (en het koppelingspedaal, indien aanwezig) en drukt u vervolgens op de knop ENGINE START/STOP (MOTOR STARTEN/STOPPEN). De knopindicator zal groen zijn.

Opmerking: Als de transmitterbatterij zwak is, plaatst u de transmitter in de voorste bekerhouder in de middenconsole om de motor te kunnen starten. Vervang de transmitterbatterij zo snel mogelijk.

DE MOTOR STOPPEN/UIT

  • Schakel naar Park (P) (automatische transmissie) of 1e of Achteruit (R) (handgeschakelde transmissie) en druk op de knop ENGINE START/STOP (MOTOR STARTEN/STOPPEN).

ACCESSOIREMODUS

  • Met de motor uit en het rempedaal niet ingetrapt, drukt u op de knop ENGINE START/ STOP (MOTOR STARTEN/STOPPEN). De knopindicator zal oranje zijn.

Zie Rijden en bedienen in uw gebruikershandleiding.

AUTOMATISCHE MOTOR STOPPEN/STARTEN (INDIEN AANWEZIG)

Er is een automatisch stop/startsysteem geïntegreerd in de motor en automatische transmissie om brandstof te besparen. Tijdens het rijden, wanneer de rem wordt ingetrapt en het voertuig volledig tot stilstand komt, kan het automatische motor stop/startsysteem de motor uitschakelen, wat een Auto Stop wordt genoemd. In de Auto Stop-modus geeft de toerenteller AUTO STOP weer. Het audiosysteem, de klimaatregeling en andere accessoires blijven werken. Bij het loslaten van het rempedaal of het intrappen van het gaspedaal, start de motor opnieuw. Na het parkeren van het voertuig en het uitschakelen van de motor, geeft de toerenteller OFF weer.
De motor kan blijven draaien of opnieuw starten wanneer het voertuig tot stilstand is gekomen als:

  • Een minimale voertuigsnelheid niet wordt bereikt.
  • De motor of transmissie niet op de vereiste bedrijfstemperatuur is.
  • De buitentemperatuur niet in het vereiste bedrijfstemperatuurbereik ligt.
  • De schakelhendel in een andere versnelling staat dan Drive (D).
  • De laadtoestand van de batterij laag is.
  • De klimaatregeling de motor nodig heeft om te draaien op basis van de klimaatregeling of ontwasemingsinstelling. Selecteer de Eco-airconditioninginstelling (groene A/C-indicator) om de frequentie en duur van Auto Stops te maximaliseren.
  • De Auto Stop-tijd langer is dan 2 minuten.

Zie Rijden en bedienen in uw gebruikershandleiding.

VOORSTOELEN

HANDMATIGE BESTUURDERSSTOEL
HANDMATIGE BESTUURDERSSTOEL

  1. Stoelverstelling
    Til de hendel onder de voorkant van de stoel bij de console op om de stoel naar voren of naar achteren te schuiven.
  2. Hoogteverstelling stoel
    Draai aan de middelste hendel om de stoel omhoog of omlaag te brengen.
  3. Verstelling rugleuning
    Til de achterste hendel op om de rugleuning te kantelen of omhoog te brengen.

ELEKTRISCHE BESTUURDERSSTOEL
ELEKTRISCHE BESTUURDERSSTOEL

  1. Stoelverstelling
    Beweeg de horizontale bediening om de stoel naar voren of naar achteren te bewegen en om de stoel te kantelen, omhoog of omlaag te brengen.
  2. Verstelling rugleuning
    Beweeg de verticale bediening om de rugleuning te kantelen of omhoog te brengen.

Zie Stoelen en veiligheidsgordels in uw gebruikershandleiding.

STUURWIELVERSTELLING

  • Duw met het voertuig geparkeerd de hendel aan de linkerkant van de stuurkolom naar beneden om het stuurwiel te verstellen. Het stuurwiel kan vervolgens omhoog of omlaag en in of uit worden bewogen. Trek de hendel omhoog om het stuurwiel op zijn plaats te vergrendelen.
    STUURWIELVERSTELLING

Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw gebruikershandleiding.
Optionele uitrusting

BESTUURDERSINFORMATIECENTER (DIC)

Het DIC op het instrumentenpaneel geeft een verscheidenheid aan voertuigberichten en systeeminformatie weer.

DIC-BEDIENINGSELEMENTEN (STANDAARD DIC)
Gebruik de bedieningselementen van de richtingaanwijzerhendel of de bedieningselementen op het stuurwiel (indien aanwezig) om de menu's Trip/Fuel (Rit/Brandstof), Vehicle (Voertuig) en Eco te selecteren.
DIC-BEDIENINGSELEMENTEN (STANDAARD DIC)
Uplevel DIC kleurenscherm getoond

Bedieningselementen richtingaanwijzerhendel
Bedieningselementen richtingaanwijzerhendel

  1. MENU
    Druk op de knop MENU om de menu's Trip/Fuel (Rit/Brandstof), Vehicle Information (Voertuiginformatie) of Eco weer te geven.

  2. Draai aan de schakelaar om door de menu's te bladeren.
  3. SET/CLR
    Druk op de knop SET/CLR aan het uiteinde van de hendel om een item in te stellen of te wissen.

Bedieningselementen op het stuurwiel (indien aanwezig)
Bedieningselementen op het stuurwiel (indien aanwezig)

  • Druk op de knop of om de menu's Trip/Fuel (Rit/Brandstof), Vehicle Information (Voertuiginformatie) of Eco te selecteren.
  • Druk op de knop of om door de menu's te bladeren.
  • Druk op de knop om een menu te openen, of een instelling te selecteren of te resetten.

DIC-BEDIENINGSELEMENTEN (UPLEVEL DIC)
Gebruik de bedieningselementen aan de rechterkant van het stuurwiel om de menu's Info (inclusief rit- en brandstofinformatie), Audio, Phone (Telefoon), Navigation (Navigatie) en Options (Opties) te bekijken.

  • Druk op de knop of om tussen de weergavezones te bewegen.
  • Druk op de knop of om door de menu's te bladeren.
  • Druk op de knop om een menu te openen, of een instelling te selecteren of te resetten.

Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw gebruikershandleiding.

Raadpleeg de gebruikershandleiding voor belangrijke informatie over het gebruik van het infotainmentsysteem tijdens het rijden.
MYLINK INFOTAINMENT SYSTEM
8-inch* diagonaal scherm getoond

CHEVROLET MYLINK
Chevrolet MyLink gebruikt een Bluetooth- of USB-verbinding om verbinding te maken met een compatibel apparaat, zoals een smartphone, mobiele telefoon, USB-stick of draagbare audiospeler/iPod®. Neem voor hulp met het MyLink-systeem contact op met Customer Assistance op 1-855-4-SUPPORT (1-855-478-7767) of ga naar my.chevrolet.com/learn.
Optionele uitrusting
*Scherm diagonaal gemeten

DE TIJD INSTELLEN

  1. Tik op Settings (Instellingen) op de startpagina.
  2. Tik op Time (Tijd) en Date (Datum).
  3. Tik op Set Time (Tijd instellen).
  4. Tik op de schermknoppen om de uren, minuten en AM of PM aan te passen.
  5. Tik op BACK (TERUG) om het menu te verlaten.

FAVORIETEN OPSLAAN
Radiostations van alle banden (AM, FM of SiriusXMF) kunnen in willekeurige volgorde worden opgeslagen.
FAVORIETEN OPSLAAN

  1. Stem af op het gewenste radiostation.
  2. Selecteer de gewenste pagina met favoriete schermknoppen.
  3. Houd een van de favoriete schermknoppen ingedrukt totdat er een pieptoon klinkt.
  4. Herhaal de stappen om een ander favoriet station op te slaan.

NATUURLIJKE SPRAAKERKENNING
Bedien de muziekbron en voer handsfree telefoongesprekken (na het koppelen van uw Bluetoothtoestel) met behulp van het natuurlijke spraakherkenningssysteem.

  1. Druk op dePush to Talk (spreektoets) op het stuurwiel.
  2. De radio speelt een prompt af, gevolgd door een pieptoon.
  3. Zeg na de pieptoon wat u wilt dat er gebeurt in natuurlijke spraak.
    • Voorbeeld van een telefoonopdracht (met behulp van uw gekoppelde telefoon): "Bel Amanda" of "Draai 555-1212"
    • Voorbeeld van een Media Music Device SearchF-opdracht (alleen bij aansluiting op USB): "Speel artiest [naam]" of "Speel nummer [naam]"
    • Voorbeeld van een radioF-opdracht: "Stem af op FM 104.3" of "Stem af op XM Classic Vinyl"
    • Help – Zeg "Help" voor hulp bij spraakherkenning

VOICE PASS-THRU
Voice Pass-Thru biedt toegang tot de spraakherkenningsopdrachten op een compatibele, gekoppelde mobiele telefoon; bijv. Siri® Eyes Free of Voice Command.

  • Om Voice Pass-Thru te activeren, houdt u de Push to Talk (spreektoets)F op het stuurwiel ingedrukt of houdt u de Phone (Telefoon) knop op de radio ingedrukt.

Zie Infotainmentsysteem in uw gebruikershandleiding.

SMS-MELDINGEN
SMS-berichten spelen een sms-bericht af via het audiosysteem en staan een antwoord toe met een vooraf ingesteld bericht. De sms-functie moet worden ingeschakeld in het menu Settings (Instellingen) > Bluetooth. Berichten kunnen alleen op het infotainmentscherm worden bekeken als de auto niet rijdt.

  • Tik op het Text (Tekst) pictogram om de inbox met sms-berichten te bekijken.
  • Tik op het Speaker (Speaker) pictogram om naar een bericht te luisteren.

CHEVROLET SHOP
Apps in de auto — verbinding maken met muziek, nieuws, weer, reisinformatie en meer — kunnen worden gedownload naar de radio via het SHOP (WINKEL) pictogram op de startpagina. Voor het downloaden en gebruiken van de apps is een internetverbinding en een data-abonnement vereist dat toegankelijk is via de OnStar 4G LTE Wi-Fi-hotspot van de auto, indien actief, of een hotspot voor mobiele apparaten.

APPLE CARPLAY™ EN ANDROID AUTO™
Apple CarPlay of Android Auto is mogelijk beschikbaar via een compatibele smartphone. Indien beschikbaar, verschijnt een Projection (Projectie) pictogram op de startpagina van het infotainmentscherm.
APPLE CARPLAY™ EN ANDROID AUTO

  1. Er is geen app vereist voor Apple CarPlay. Download de Android Auto-app naar uw telefoon vanuit de Google Play Store.
  2. Sluit uw compatibele telefoon aan door de USB-kabel van de telefoon aan te sluiten op een USB-datapoort. Gebruik de door de fabrikant geleverde USB-kabel van uw apparaat. Aftermarket-kabels werken mogelijk niet.
  3. Het Projection (Projectie) pictogram verandert in Apple CarPlay of Android Auto, afhankelijk van de telefoon. Apple CarPlay of Android Auto kan automatisch starten bij USB-aansluiting. Zo niet, tik dan op het Apple CarPlay of Android Auto pictogram op de startpagina.

DRAAGBARE AUDIOAPPARATEN
Een iPod®, iPhone®, MP3-speler, een USB-stick of een USB-massaopslagapparaat kan worden aangesloten op de USB-datapoort aan de voorkant van de middenconsole.
PORTABLE AUDIOAPPARATEN

  • Druk op de MEDIA knop of tik op de Audio screen button (audioknop op het scherm)F om een draagbaar apparaat als audiobron te selecteren.
  • Een USB Charge Only port (alleen USB-oplaadpoort)F bevindt zich mogelijk aan de achterkant van de middenconsole. Deze poort maakt geen verbinding met het infotainmentsysteem.

Voor meer informatie belt u 1-855-4-SUPPORT (1-855-478-7767) of gaat u naar my.chevrolet.com/learn.
Zie Infotainmentsysteem in uw gebruikershandleiding.
Optionele uitrusting

BLUETOOTH®-SYSTEEM

Raadpleeg de gebruikershandleiding voor belangrijke informatie over het gebruik van het Bluetooth-systeem tijdens het rijden.
Voordat u een Bluetooth-apparaat in de auto gebruikt, moet het worden gekoppeld aan het Bluetooth-systeem in de auto. Het koppelingsproces is uitgeschakeld wanneer de auto rijdt. Niet alle apparaten ondersteunen alle functies. Ga naar my.chevrolet.com/learn voor meer informatie.

EEN TELEFOON KOPPELEN

  1. Druk op de Phone (Telefoon) knop en selecteer Pair (Koppelen) of Search Device (Apparaat zoeken). Indien aanwezig, drukt u op dePush to Talk (spreektoets) knop en zegt u "Pair" (Koppelen).
  2. Start het koppelingsproces op de telefoon. Selecteer in de Bluetooth-instellingen van uw telefoon de naam die op het infotainmentscherm wordt weergegeven.
  3. Bevestig de codes die op het infotainmentscherm en de telefoon verschijnen.
  4. Wanneer het koppelen is voltooid, wordt het telefoonscherm weergegeven op het infotainmentsysteem. Afhankelijk van de telefoon wordt het telefoonboek automatisch gedownload.

Zie Infotainmentsysteem in uw gebruikershandleiding.

ONSTAR® MET 4G LTE EN WI-FI®

Met OnStar 4G LTE en Wi-Fi kunnen maximaal 7 apparaten (smartphones, tablets en laptops) via de ingebouwde Wi-Fi-hotspot van de auto verbinding maken met snel internet.

  • Om de SSID en het wachtwoord voor de hotspot op te halen, drukt u op de OnStar Voice Command (spraakopdracht) knop op de bovenconsole of de achteruitkijkspiegel, wacht u op de prompt en zegt u vervolgens "Wi-Fi settings" (Wi-Fi-instellingen). De informatie wordt op het scherm weergegeven.

Voor hulp drukt u op de blauwe OnStar knop of belt u 1-888-4-ONSTAR (1-888-466-7827).
Opmerking: zie onstar.com voor een gedetailleerde handleiding, de beschikbaarheid van auto's, details en systeembeperkingen.
Zie Infotainmentsysteem in uw gebruikershandleiding.

TEEN DRIVER

Met Teen Driver kunnen meerdere sleutels worden geregistreerd voor beginnende bestuurders. Indien actief, dempt het systeem het geluid van de radio of een ander apparaat dat met de auto is gekoppeld als inzittenden op de voorstoelen hun veiligheidsgordels niet dragen. Het geeft ook hoorbare en visuele waarschuwingen wanneer de auto sneller rijdt dan vooraf bepaalde snelheden. Aan het einde van elke rijcyclus wordt een rapportkaart gegenereerd met gegevens over het rijgedrag.
Wanneer de auto wordt gestart met een geregistreerde sleutel, wordt een Driver Information Center-bericht weergegeven dat Teen Driver actief is.

  • Om een persoonlijk identificatienummer aan te maken, een sleutel te registreren, de Teen Driver-instellingen te wijzigen of de rapportkaart te openen, gaat u naar Settings (Instellingen) > Teen Driver.

Zie uw gebruikershandleiding voor het infotainmentsysteem.

DRAADLOOS OPLADEN

Het draadloze oplaadsysteem voor het opladen van mobiele apparaten bevindt zich op de middenconsole. Ga naar my.chevrolet.com/learn om de apparaatcompatibiliteit te controleren. Neem contact op met uw telefoonverkoper voor meer informatie over de vereiste telefoonaccessoires.
DRAADLOOS OPLADEN

  1. De auto moet aan staan of Retained Accessory Power (stroomvoorziening accessoires behouden) moet actief zijn.
  2. Verwijder alle voorwerpen uit het oplaadvak.
  3. Plaats het apparaat in het vak met het scherm naar de achterkant van de auto gericht.
  4. Het symbool verschijnt op het infotainmentscherm wanneer het apparaat wordt opgeladen.

Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw gebruikershandleiding.

AUDIOBEDIENING OP HET STUURWIEL

AUDIOBEDIENING OP HET STUURWIEL

Push to Talk (spreektoets)
Druk hierop om een inkomende oproep te beantwoorden of om natuurlijke spraakherkenning te gebruiken met het Bluetooth- of OnStar®-systeem.
Houd ingedrukt om Voice PassThru (Siri® Eyes Free of Voice Command) te activeren op een gekoppelde, compatibele mobiele telefoon.

End Call/Mute (Gesprek beëindigen/Dempen)
Druk hierop om een gesprek te beëindigen of te weigeren.
Druk hierop om de speakers te dempen/het dempen op te heffen.

Volume
(achter de rechterkant van het stuurwiel)
Druk op de bovenste of onderste knop om het volume aan te passen.

Next/Previous Favorite Station (Volgend/Vorig favoriet station)
(achter de linkerkant van het stuurwiel)
Druk op de bovenste of onderste knop om naar het volgende of vorige favoriete station of nummer te gaan.

Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw gebruikershandleiding.

PERSONALISATIE VAN DE AUTO

Sommige autofuncties kunnen worden aangepast met behulp van de menu's Settings (Instellingen) op het infotainmentsysteem. De Settings (Instellingen) menu's kunnen Time and Date (Tijd en datum), Language (Taal), Valet Mode (Valetmodus), Radio, Vehicle (Auto), Bluetooth, Rear Camera (Achteruitrijcamera), Return to Factory Settings (Terug naar fabrieksinstellingen) en andere omvatten.
PERSONALISATIE VAN DE AUTO

  1. Druk op de MENU knop of tik op Settings (Instellingen) op de startpagina.
  2. Selecteer het gewenste menu-item.
  3. Selecteer de gewenste functie en instelling.
  4. Selecteer BACK (TERUG) om elk menu te verlaten.

Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw gebruikershandleiding.

VERLICHTING

BUITENVERLICHTING
Draai aan de knop om de buitenverlichting te activeren.

Uit/Aan
AUTO Automatisch koplampsysteem

Activeert automatisch de buitenverlichting, afhankelijk van de buitenlichtomstandigheden.
Stadslicht
Koplampen
Mistlampen voor
Druk om de mistlampen aan of uit te zetten.

INSTRUMENTENPANEELVERLICHTING
Helderheid instrumentenpaneel
Draai en houd het duimwiel vast om de verlichting van het instrumentenpaneel aan te passen.
INSTRUMENTENPANEELVERLICHTING

INTELLIBEAM®-SYSTEEM
Het IntelliBeam-systeem schakelt de grootlichtkoplampen automatisch in of uit, afhankelijk van de omringende verkeersomstandigheden. De bediening van de buitenverlichting moet in de stand AUTO of Koplampen staan om het systeem te activeren.

  • Druk op de IntelliBeam-knop op de richtingaanwijzerhendel om het systeem in of uit te schakelen.

Opmerking: IntelliBeam activeert de grootlichtkoplampen alleen tijdens het rijden met een snelheid van meer dan 40 km/u.
Zie Verlichting in uw handleiding.

KLIMAATREGELING

Automatische klimaatregeling afgebeeld
KLIMAATREGELING

AUTOMATISCHE WERKING

  • Druk op AUTO.
  • Stel de temperatuur in.

Het systeem regelt automatisch de ventilatorsnelheid, luchttoevoer, airconditioning en recirculatie om de ingestelde temperatuur te bereiken. Geef het systeem de tijd om de gewenste temperatuur te bereiken. Als de functies handmatig worden aangepast, wordt de automatische werking uitgeschakeld.

ECO-MODUS (MODELLEN MET AUTO ENGINE STOP/START)

  • Druk op de A/C-bediening totdat de indicator groen is om de Eco-airconditioninginstelling te selecteren. Deze instelling maximaliseert de frequentie en duur van Auto Stops.
  • Druk op de A/C-bediening totdat de indicator oranje is om de Comfort-airconditioninginstelling te selecteren. Auto Stops worden minder vaak en minder lang uitgevoerd.

Zie Klimaatregeling in uw handleiding.

SCHUIFDAK

De bedieningselementen van het schuifdak bevinden zich op de console in het dak.
SCHUIFDAK

  1. Openen/ Sluiten
    Om het schuifdak in één keer te openen, drukt u de achterkant van de schakelaar volledig in en laat u deze los. Om het schuifdak in één keer te sluiten, drukt u de voorkant van de schakelaar volledig in en laat u deze los.
    Om het schuifdak te openen, houdt u de achterkant van de schakelaar ingedrukt. Om het schuifdak te sluiten, houdt u de voorkant van de schakelaar ingedrukt.
  2. Ventileren/ Sluiten
    Om het schuifdak vanuit de gesloten stand te ventileren, drukt u op de achterkant van de schakelaar. Om het schuifdak te sluiten, drukt u op de voorkant van de schakelaar.

Zie Sleutels, deuren en ramen in uw handleiding.

RUITENWISSERS EN -SPROEIER

Ruitenwisserhendel/achterruitenwisserhendel afgebeeld
RUITENWISSERS EN -SPROEIER
RUITENWISSERS
Til de hendel omhoog of omlaag om de ruitenwissers te activeren.
HI Snel wissen
LO Langzaam wissen
INT Interval wissen
Draai aan de band om de vertraging tussen het wissen aan te passen. De ruitenwissers worden vaker geactiveerd naarmate de band omhoog wordt gedraaid.
UIT
1x Enkelvoudig wissen
Ruitensproeiervloeistof
Trek de hendel naar u toe om ruitensproeiervloeistof op de voorruit te sproeien.

ACHTERRUITENWISSER (INDIEN AANWEZIG)
Draai aan het uiteinde van de hendel om de achterruitenwisser te activeren.
UIT
INT Interval wissen
AAN
Ruitensproeiervloeistof
Duw de hendel van u af om ruitensproeiervloeistof op de achterruit te sproeien.
Zie Instrumenten en bedieningselementen in uw handleiding.

CRUISECONTROL

CRUISECONTROL INSTELLEN
CRUISECONTROL INSTELLEN

  1. Druk op de Aan/Uit-knop. Het Cruisecontrol-symbool licht wit op in het instrumentencluster.
  2. Wanneer u met de gewenste snelheid rijdt, drukt u op de SET–-knop om de snelheid in te stellen. Het symbool licht groen op in het instrumentencluster.

CRUISECONTROL AANPASSEN
RES+ Hervatten/Versnellen
Druk hierop om een ingestelde snelheid te hervatten. Wanneer het systeem actief is, drukt u hierop om de snelheid te verhogen.
SET– Instellen/Uitrollen
Wanneer het systeem actief is, drukt u hierop om de snelheid te verlagen.
Annuleren
Druk hierop om de cruisecontrol te annuleren zonder de ingestelde snelheid uit het geheugen te wissen. Het intrappen van het rempedaal of het koppelingspedaal annuleert ook de Cruisecontrol.
De ingestelde snelheid wordt gewist wanneer Cruisecontrol of het contact van het voertuig wordt uitgeschakeld.
Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

RIJHULPSYSTEMEN

ACHTERUITRIJCAMERA – Wanneer het voertuig in de achteruitversnelling staat, wordt een weergave direct achter het voertuig weergegeven op het infotainmentdisplay.
Opmerking: Het systeem geeft mogelijk geen helder beeld weer als er zich vuil, sneeuw of ijs op de cameralens ophoopt. Reinig de lens, die zich boven de achterste nummerplaat bevindt, met water en een zachte doek.
WAARSCHUWING ACHTER KRUISEND VERKEERF – Wanneer het voertuig in de achteruitversnelling staat, waarschuwt het systeem voor verkeer dat uit beide richtingen komt door een rode waarschuwing op het infotainmentdisplay weer te geven en 3 pieptonen te laten horen.
PARKEERHULP ACHTERF – Tijdens parkeermanoeuvres met lage snelheid geeft het systeem informatie over de "afstand tot het dichtstbijzijnde object" op het Driver Information Center. Er klinkt een pieptoon wanneer een object wordt gedetecteerd en er klinken 5 pieptonen wanneer een object heel dichtbij is.
RIJHULPSYSTEMEN

  • Om de parkeerhulp achter en de waarschuwing achter kruisend verkeer in of uit te schakelen, drukt u op de Parkeerhulp achter-knop op de middenconsole.

DODEHOEKWAARSCHUWING ZIJ Tijdens het rijden geeft het systeem een waarschuwingssymbool weer op de linker- of rechterzijspiegel wanneer een voertuig wordt gedetecteerd in dat dodehoekgebied of dat gebied snel nadert. Het waarschuwingssymbool knippert als een richtingaanwijzer wordt geactiveerd wanneer een voertuig aan dezelfde kant is gedetecteerd.

  • Om het systeem in of uit te schakelen, gaat u naar Instellingen > Voertuig > Botsing-/detectiesystemen > Dodehoekwaarschuwing.

WAARSCHUWING VOOR AANRIJDING – De indicator Voertuig voor u is groen op het instrumentencluster wanneer een voertuig wordt gedetecteerd en is oranje wanneer u een voertuig voor u te dicht volgt. Bij het te snel naderen van een voertuig direct voor u, knippert een rode waarschuwing op de voorruit en klinken er snelle pieptonen.
De volgende afstand wordt in seconden aangegeven onder het menu Info op het Driver Information Center. Als er geen voertuig voor u wordt gedetecteerd, worden streepjes weergegeven.
WAARSCHUWING VOOR AANRIJDING

  • Druk op de Botsingswaarschuwing-knop op het stuurwiel om de waarschuwingstijd in te stellen op Ver, Gemiddeld, Nabij of Uit. De instelling wordt weergegeven op het Driver Information Center.

RIJSTROOKASSISTENT MET RIJSTROOKWAARSCHUWING – Het systeem kan helpen botsingen te voorkomen als gevolg van onbedoeld verlaten van de rijstrook. De indicator Rijstrookassistent is groen op het instrumentencluster als het systeem beschikbaar is om te helpen. Als het voertuig een gedetecteerde rijstrookmarkering nadert zonder een richtingaanwijzer in die richting te gebruiken, kan het systeem helpen door het stuurwiel voorzichtig te draaien en een oranje weer te geven.
Als er geen actieve bestuurdersbesturing wordt gedetecteerd, kan de oranje knipperen en kunnen er 3 pieptonen klinken aan de kant van de vertrekrichting wanneer de rijstrookmarkering wordt overschreden. Om dit systeem veilig te kunnen gebruiken, moet de bestuurder sturen en de volledige controle over het voertuig hebben.
RIJSTROOKASSISTENT MET RIJSTROOKWAARSCHUWING

  • Om het systeem in of uit te schakelen, drukt u op de Rijstrookassistent-knop op het stuurwiel.

Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

TRACTION CONTROL EN STABILITRAK-SYSTEMEN

Het traction control-systeem beperkt het doorslippen van de wielen en het StabiliTrak®-stabiliteitscontrolesysteem helpt bij de richtingscontrole van het voertuig in moeilijke rijomstandigheden. Beide systemen worden automatisch ingeschakeld telkens wanneer het voertuig wordt gestart. Schakel traction control uit als het voertuig vastzit en het schommelen van het voertuig vereist is.
TRACTION CONTROL EN STABILITRAK-SYSTEMEN

  • Druk op de Traction Control/StabiliTrak Uit-knop op de middenconsole om traction control in of uit te schakelen.

Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN AANWEZIG)

DRIVER SHIFT CONTROL
Driver Shift Control is een handmatige modus waarmee de bestuurder het bereik van de versnellingsposities kan selecteren. Deze functie kan worden gebruikt tijdens het rijden op een helling om op de motor te remmen of om de hoogste versnelling te beperken.
DRIVER SHIFT CONTROL

  1. Verplaats de schakelhendel naar links naar de lage (L) stand.
  2. Druk op de plus (+)-knop of min (-)-knop bovenop de schakelhendel om het beschikbare versnellingsbereik te vergroten of te verkleinen.

De huidige versnelling wordt weergegeven op het Driver Information Center. Alle versnellingen onder de geselecteerde versnelling zijn beschikbaar. Als de voertuigsnelheid te hoog of te laag is voor de gevraagde versnelling, vindt de schakeling niet plaats.
Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN AANWEZIG)

ACHTERUITVERSNELLING SELECTEREN
Voordat u naar de achteruitversnelling schakelt, moet u het voertuig volledig tot stilstand brengen. Bij het selecteren van de achteruitversnelling drukt u op de knop aan de voorkant van de schakelhendel en verplaatst u de hendel snel naar de linkerkant van het versnellingspatroon. Het forceren van de schakelhendel in de versnelling kan de transmissie beschadigen.

Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

BANDENSPANNINGSMONITOR

Het waarschuwingslampje voor lage bandenspanning op het instrumentencluster licht op wanneer een of meer van de banden van het voertuig aanzienlijk te zacht zijn. Vul de banden met de juiste bandenspanning die wordt vermeld op het label Banden en laadvermogen onder de deursluiting van de bestuurder. De huidige bandenspanning kan worden bekeken op het Driver Information Center.
Zie Onderhoud van het voertuig in uw handleiding.

HET VOERTUIG BIJTANKEN

  • Om de brandstofklep te openen, drukt u op het midden van de achterrand van de klep en laat u deze los. Deze komt dan iets naar buiten. Trek de klep open.
    HET VOERTUIG BIJTANKEN

Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

MOTORKAPKABEL

Met het bestuurdersportier geopend, trekt u aan de motorkapontgrendelingshendel aan de linkeronderzijde van het instrumentenpaneel en laat u deze los. Trek nogmaals aan de hendel en laat deze los om de motorkap volledig te openen. Er is geen secundaire vergrendeling onder de motorkap.
Zie Onderhoud van het voertuig in uw handleiding.

LOCATIE ACCU

De accu bevindt zich achter de achterbank aan de passagierszijde van het voertuig en is toegankelijk via de kofferbak. Externe startkabels met positieve en negatieve aansluitingen bevinden zich onder de motorkap aan de bestuurderszijde van het voertuig.
Zie Onderhoud van het voertuig in uw handleiding.

DIESELFUNCTIES (INDIEN AANWEZIG)

DIESELUITLAATVLOEISTOF (DEF)
DEF vermindert de hoeveelheid gereguleerde uitstoot die wordt geproduceerd. Het DEF-niveau moet op peil worden gehouden om de auto goed te laten rijden. Als het DEF-niveau laag wordt, beginnen waarschuwingen met ongeveer 1.600 km resterend bereik. Deze waarschuwingen worden intenser naarmate het DEF-niveau daalt. Zodra de tank leeg is, wordt de snelheid van de auto beperkt. De DEF-vulopening bevindt zich achter de brandstofvulklep.

DIESELROETFILTER (DPF)
De DPF filtert het dieseluitlaatgas. Af en toe moet de DPF worden gereinigd. Indien nodig start de motorcomputer automatisch een reinigingsactie.
Zie Rijden en bedienen in uw handleiding.

PECHVERHELPING

1-800-CHEV-USA
(1-800-243-8872)
TTY-gebruikers: 1-888-889-2438

Als eigenaar van een nieuwe Chevrolet bent u automatisch ingeschreven voor het Chevrolet Roadside Assistance-programma voor maximaal 5 jaar/96.000 km, afhankelijk van wat zich het eerst voordoet, zonder kosten voor u. Het gratis nummer van Chevrolet Roadside Assistance wordt bemand door een team van getrainde adviseurs die 24 uur per dag, 365 dagen per jaar beschikbaar zijn om contact op te nemen met een serviceprovider voor lichte diensten (brandstoflevering, starthulp, lekke band en uitsluiting) of om ervoor te zorgen dat uw auto wordt weggesleept naar de dichtstbijzijnde Chevrolet-dealer voor reparaties.

Roadside Assistance en OnStar®
Als u pechhulp nodig hebt en een actief OnStar-serviceabonnement hebt, drukt u op de blauwe OnStar-knop en de auto stuurt uw huidige GPS-locatie naar een OnStar-adviseur die met u zal spreken, uw probleem zal beoordelen, contact zal opnemen met Roadside Assistance en uw exacte locatie zal doorgeven, zodat u de hulp krijgt die u nodig hebt.
Voor meer informatie over OnStar-services drukt u op de blauwe OnStar-knop, gaat u naar onstar.com, belt u 1-888-4-ONSTAR (1-888-466-7827) of raadpleegt u uw handleiding.

MYCHEVROLET MOBIELE APP

De myChevrolet mobiele app verbindt eigenaren met een compatibel mobiel apparaat met een verscheidenheid aan voertuiginformatie en -diensten, zoals een doorzoekbare handleiding, real-time brandstofinformatie, OnStar Vehicle Diagnostic-informatie en Roadside Assistance.
Met de myChevrolet mobiele app kunnen gebruikers ook op afstand commando's verzenden — waaronder het op afstand starten van de auto en het vergrendelen/ontgrendelen van de deuren — evenals de auto op een kaart lokaliseren en bestemmingen naar het navigatiesysteem sturen (auto's moeten correct zijn uitgerust).
Download de mobiele app in de app store van uw compatibele mobiele apparaat.
myChevrolet mobiele app

CHEVROLET EIGENAARSCENTRUM

Leer uw auto van binnen en van buiten kennen met het Chevrolet Owner Center. Bekijk gepersonaliseerde informatie, waaronder een online handleiding en handige instructievideo's, volg uw onderhoudsgeschiedenis en garantiestatus, bekijk uw huidige OnStar Vehicle Diagnostics-rapport (actief OnStar-account vereist) en meer. Maak vandaag nog een account aan op my.chevrolet.com.

We raden aan om altijd ACDelco of originele GM-onderdelen te gebruiken.
Er gelden bepaalde beperkingen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsprocedures voor uw auto. Lees uw handleiding voor volledige instructies. Alle informatie in deze handleiding is gebaseerd op de meest recente informatie die beschikbaar was op het moment van drukken en kan zonder kennisgeving worden gewijzigd.

chevrolet.com

Referenties

Download handleiding

Hier kunt u de volledige pdf-versie van de handleiding downloaden. Deze kan aanvullende veiligheidsinstructies, garantie-informatie, FCC-regels, enz. bevatten.

Download Chevrolet CRUZE 2018 Handgeschakeld

Beschikbare talen

Inhoudsopgave