Encoder instellen
Met ENCODER INSTELLEN kunt u de resolutie van de encoder en het
type (lineair of roterend), de telrichting en het type
referentiemerk bepalen.
De cursor gaat standaard naar het veld ENCODER INSTELLEN bij
het openen van Systeeminstellingen. Druk op ENTER. Hierdoor
wordt een lijst geopend met 3 mogelijke encoders, gelabeld
INGANG X1, X2 en X3.
Scroll naar de encoder-ingang die u wilt toevoegen of wijzigen en
druk op ENTER.
Het veld ENCODERSIGNAAL wordt automatisch vastgelegd.
De cursor staat in het veld ENCODERTYPE. Selecteer het
encodertype door op de softkey LINEAIR/ROTEREND te drukken.
Ga met de pijltoets omlaag naar het veld RESOLUTIE.
Druk bij lineaire encoders op de softkey GROVER of FIJNER om de
resolutie van de encoder in µm (10, 5, 2, 1, 0,5) te selecteren. De
juiste resolutie kan ook met de numerieke toetsen
worden ingevoerd.
Bij roterende encoders moet het aantal counts per omwenteling
worden ingevoerd met behulp van de numerieke toetsen.
Ga met de pijltoets omlaag naar het veld REFERENTIEMERK.
Schakel met de softkey REF.MERK.
Selecteer GEEN voor geen referentiemerk, EENMALIG voor één
referentiemerk, of POSITION TRAC voor een encoder met de
functie Position-Trac™.
200S
57