Opmerking: Als de lampjes van de schakelaars niet
gaan branden, dan staat de voetschakelaar uit. Zet de
voetschakelaar op O
12. Gebruik de schakelaar Pressure Adjust om de druk te
verhogen naar 1,38 bar en zet hem vervolgens terug
naar 0 bar.
13. Zet de schakelaar Man/Rate op Rate 1.
Opmerking: De pomp moet nu de druk opvoeren
naar de gewenste waarde met het juiste formaat
spuitdop.
14. Zet de hoofd(voet)schakelaar van de spuitbomen op
O
.
FF
15. Zet de mengschakelaar (Agitation) op O
Opmerking: Het systeem schakelt de pomp in en
verhoogt de pompsnelheid tot de ingestelde mengdruk
bereikt is. Dit is de druk die het systeem bereikt
wanneer de spuitbomen uit staan en de pomp en
mengschakelaar aan staan.
Opmerking: Noteer voor de oorspronkelijke
systeeminstelling de druk op de drukmeter. Zet de
omloopklep van de mengdruk op de oorspronkelijke
instelling. Wilt u de mengdruk verlagen of de toevoer
naar de spuitboom verhogen voor een hogere dosis,
dan kunt u de kogelmengklep ook gedeeltelijk sluiten.
16. Zet de mengschakelaar en de pompschakelaar op O
Een eerste praktijktest
uitvoeren
Voer voor gebruik van het spuitsysteem de volgende
procedure uit.
1. Rijd het voertuig op de gewenste sproeisnelheid terwijl
de spuitbomen uit staan.
2. Druk op de knop [S
te controleren.
3. Zet de schakelaar van de spuitpomp op O
4. Zet de voedingsschakelaar van de Pro Control XP in
de stand O
.
N
5. Zet de voetschakelaar op O
Opmerking: Gebruik de voetschakelaar wanneer alle
spuitbomen moeten worden ingeschakeld.
6. Zorg dat schakelaars Boom 1, Boom 2 en Boom 3 in
de stand O
staan.
N
7. Zet de schakelaar Man/Rate op Rate 1.
8. Verhoog of verlaag de voertuigsnelheid met 1 mijl/uur
(2 km/u).
Opmerking: Het spuitsysteem moet de doeldosering
automatisch corrigeren. Als het spuitsysteem de
.
N
.
N
] om de snelheidsweergave
PEED
.
N
.
N
dosering niet aanpast, raadpleeg dan de secties
van de aansturingscomputer (bladz. 9)
Problemen, oorzaak en remedie (bladz.
9. Spuit een baan en zet de voetschakelaar dan op O
om de stroom naar alle spuitbomen uit te zetten.
Opmerking: Zo wordt ook de oppervlaktemeter
uitgeschakeld.
10. Controleer het bespoten oppervlak en het volume
gespoten materiaal.
.
FF
12
Instellen
en daarna
16).
,
FF