ONDERHOUD
De kabels mogen alleen door de Wilo-service-
dienst of een geautoriseerde resp. gecertifi-
ceerde servicewerkplaats vervangen worden.
De pomp mag pas opnieuw in gebruik genomen
worden als de schade vakkundig verholpen is.
8.3.2. Zichtcontrole van toebehoren
De toebehoren moeten op correcte zit en onbe-
rispelijke werking gecontroleerd worden. Losse
en/of defecte toebehoren moeten onmiddellijk
gerepareerd resp. vervangen worden.
8.3.3. Zichtcontrole van het huis op slijtage
De onderdelen van het huis mogen geen bescha-
digingen vertonen. Als er zichtbare schade aan
onderdelen van het huis is, overleg dan met de
Wilo-servicedienst.
8.3.4. Functiecontrole van veiligheids- en bewakings-
inrichtingen
Bewakingsinrichtingen zijn bijv. temperatuursen-
sor in de motor, vochtelektroden, motorveilig-
heidsrelais, overspanningsrelais enz.
• Motorbeveiligingsrelais en andere schakelaars
kunnen voor het testen over het algemeen hand-
matig in werking worden gesteld.
• Om de staafelektrode of de temperatuursensoren
te controleren moet de pomp zijn afgekoeld tot
de omgevingstemperatuur en moet de elektrische
aansluitleiding van de bewakingsinrichting in de
schakelkast worden losgemaakt. Met een isolatie-
tester (gemeten gelijkspanning is 500 V) kan dan
de weerstand van de bewakingsinrichting worden
gecontroleerd.
De volgende waarden moeten worden gemeten:
• Bimetaalsensor: Waarde gelijk "0"-doorgang
• PTC-voeler: Een PTC-voeler heeft een koude
weerstand tussen de 20 en 100 Ohm.
Bij 3 voelers in serie zou dat een waarde van 60
tot 300 Ohm opleveren.
Bij 4 voelers in serie zou dat een waarde van 80
tot 400 Ohm opleveren.
• Pt100-voelers: Pt100-voelers hebben bij 0 °C
een waarde van 100 Ohm. Tussen 0 °C en
100 °C wordt deze waarde per 1 °C verhoogd
met 0,385 Ohm. Bij een omgevingstempera-
tuur van 20 °C kan een waarde van 107,7 Ohm
worden berekend.
• Staafelektrode voor de bewaking van de af-
dichtingskamer De waarde moeten tegen "on-
eindig" gaan. Bij lage waarden onder 30 kOhm
zit er water in de olie. Neem ook de aanwijzin-
gen van het optioneel verkrijgbare relais in acht.
Bij grotere afwijkingen gelieve u ruggespraak te
houden met de fabrikant!
8.3.5. Controle van de gebruikte schakelkasten/relais
De afzonderlijke stappen ter controle van de
gebruikte schakelkasten/relais gelieve u uit de
desbetreffende handleiding te halen. Defecte
apparatuur moet onmiddellijk vervangen worden
omdat deze geen bescherming van de pomp
waarborgt.
Inbouw- en bedieningsvoorschriften Wilo-EMU FA+T-Motor
8.3.6. Olie verversen in de afdichtingskamer
Afhankelijk van de motor heeft de afdichtings-
ruimte een gemeenschappelijke of twee geschei-
den openingen voor het leegmaken en vullen van
de ruimte.
WAARSCHUWING voor letsel door hete en/of
onder druk staande bedrijfsstoffen!
De olie is na het uitschakelen nog heet en
staat onder druk. Daardoor kan de sluitplug
eruit geschoten worden en hete olie ontsnap-
pen. Er bestaat gevaar voor letsel resp. gevaar
voor verbranding! Laat de olie eerst afkoe-
len tot omgevingstemperatuur en draai de
sluitplug(gen) er altijd langzaam uit.
Afb. 13: Sluitpluggen afdichtingskamer
D
Sluitplug vul- en aftapopening
D+
Sluitplug vulopening
D-
Sluitplug aftapopening
1.
Pomp verticaal op een vaste ondergrond neerzet-
ten.
Let erop dat de pomp niet kan omvallen en/of
wegglijden!
2.
Kunststofafdekking (indien aanwezig) eraf halen
en sluitplug (D resp. D-) voorzichtig en langzaam
eruit draaien.
3.
De bedrijfsstof aftappen in een geschikt reservoir
opvangen en volgens de voorschriften in hoofd-
stuk "Afvoeren" afvoeren.
4.
Bij motoren met gescheiden vul- en aftapope-
ningen reinigt u de sluitplug (D-), van een nieuwe
dichtingsring voorzien en opnieuw indraaien.
5.
Vul de nieuwe bedrijfsstof via de opening van
de sluitplug (D resp. D+). De olie moet tot aan
de onderkant van de opening reiken. Neem de
aanbevolen bedrijfsstof in acht.
6.
Sluitplug (D res. D+) reinigen, van een nieuwe
dichtingsring voorzien en er weer in draaien.
7.
Kunststofafdekkingen (indien aanwezig) erop
zetten en bestrijken met een zuurbestendig
afdichtingsmiddel.
Aanwijzing voor pompen met afsluitkogelkraan
aan de aftapopening
Afb. 14: Afsluitkogelkraan
D*
Aftapopening met afsluitkogelkraan
Als afsluitkogelkranen worden gebruikt, moet,
voordat de hendel wordt bediend, de sluitplug
op de afsluitkogelkraan worden verwijderd. Het
aftappen van de olie gebeurt door de hendelin-
stelling van afsluitkogelkraan.
• Voor het aftappen van bedrijfsstoffen wordt de
hendel in de stroomrichting (parallel aan de ko-
gelkraan) gedraaid.
Nederlands
193