ALGEMENE INSTELLINGEN
Raak het tandwielsymbool ( ) rechtsboven aan om het menu Algemene instellingen te openen, waar de gebruiker een verscheidenheid
aan functies naar persoonlijke voorkeur kan configureren. Deze functies zijn georganiseerd in verschillende categorieën aan de onderkant
van het touchscreen: Voorkeuren, I/O, Voetschakelaar, Bluetooth, EQ, Mixer en Tuner. Elke categorie wordt hieronder uitgelegd.
ALGEMENE INSTELLINGEN: GEBRUIKERSVOORKEUREN
Tik op Voorkeuren onder aan het menu Algemene instellingen om toegang te krijgen tot de volgende functies:
• GLOBALE EQ BEHOUDEN: Wanneer deze optie is ingeschakeld, blijven de algemene EQ-instellingen behouden nadat
Tone Master Pro is uitgeschakeld en vervolgens weer is ingeschakeld. Wanneer uitgeschakeld (standaard), keert de
algemene EQ terug naar de vlakke instelling nadat Tone Master Pro is uitgeschakeld en vervolgens weer is ingeschakeld.
• HELDERHEID VAN HET SCHERM: Gradiëntschuifregelaar voor het aanpassen van touchscreen, krabbelstrip en
voetschakelaar LED-helderheid.
• FABRIEKSINSTELLINGEN: Herstelt alle voorinstellingen en instellingen naar de fabrieksinstellingen.
• OVER: Geeft de geïnstalleerde firmwareversie weer.
ALGEMENE INSTELLINGEN: I/O-INSTELLINGEN
Selecteer I/O onder aan het menu Algemene instellingen om toegang te krijgen tot deze functies. Het touchscreen toont het
achterpaneel van Tone Master Pro aan de linkerkant en vijf subcategorieën: INPUTS, OUTPUTS, EXP/CTRL, USB en MIDI.
Raak een van deze subcategorieën aan voor een lijst met aanpassingen die in elk subcategorieën kunnen worden aange-
bracht, zoals hieronder wordt beschreven.
INGANGEN
• INSTRUMENTINGANGSPAD (-6dB): Vermindert de ingang op instrumentniveau met 6 dB wanneer ingeschakeld; helpt
clipping te elimineren bij gebruik van instrumenten met actieve voorversterkers. De standaardinstelling is UIT.
• MIC INPUT GAIN: Gradiëntschuifregelaar voor het aanpassen van de microfooningangsversterking; voor het accommo
deren van microfoons met verschillende gevoeligheden en uitgangsniveaus. De standaardinstelling is +9dB (typisch voor
een standaard dynamische microfoon).
• LIJNINGANGSVERSTERKING: Verloopschuifregelaar voor het aanpassen van de ingangsversterking op lijnniveau; voor het
accommoderen van instrumenten en andere audiobronnen met verschillende uitgangsniveaus. De standaardinstelling is 0dB.
• +48V FANTOMVOEDING: Voedt condensatormicrofoons die zijn aangesloten op de XLR-ingang op het achterpaneel
wanneer deze is ingeschakeld. De standaardinstelling is UIT.
• LOOP 3/4 LEVEL: Selecteer INSTRUMENT of LINE level voor de effectenlussen 3 en 4 op het achterpaneel. De
standaardinstelling is INSTRUMENT (typisch voor stompbox-effectpedalen). Selecteer LINE wanneer u rackmontage-ef
fecten met hogere uitvoerniveaus gebruikt.
UITGANGEN
• UITGANG 1 NIVEAU: Selecteer INSTRUMENT of LINE voor alle vier de uitgangen op het achterpaneel OUTPUT 1. De
standaardinstelling is LINE (typisch bij aansluiting op een FR-kast, externe geluidsversterking of opnameapparatuur).
Selecteer INSTRUMENT bij aansluiting op een instrumentversterker.
• UITGANG 1: Selecteer STEREO (standaard) of MONO-bewerking voor alle vier de OUTPUT 1-aansluitingen.
• UITGANG 2-NIVEAU: Selecteer INSTRUMENT of LINE voor beide uitgangen op het achterpaneel OUTPUT 2. De
standaardinstelling is LINE (typisch bij aansluiting op een FR-kast, externe geluidsversterking of opnameapparatuur).
Selecteer INSTRUMENT bij aansluiting op een instrumentversterker.
• UITGANG 2: Selecteer STEREO (standaard) of MONO-bewerking voor beide OUTPUT 2-aansluitingen.
31
ALGEMENE INSTELLINGEN