• Een onderwerp met weinig contrast, zoals een blauwe lucht of een witte
muur.
• Twee onderwerpen op verschillende afstand die elkaar overlappen binnen
het AF-gebied.
• Een onderwerp dat bestaat uit een zich herhalend patroon, zoals de gevel
van een kantoorgebouw.
• Een onderwerp dat zeer helder is of schittert, zoals de zon, de carrosserie
van een auto, of een wateroppervlak.
• Bij onvoldoende omgevingslicht.
De juiste afstand tot een onderwerp nauwkeurig meten
De
markering op de bovenkant van
de camera, toont de locatie van de
beeldsensor*. Wanneer u de exacte
afstand meet tussen de camera en het
onderwerp, kijk dan naar de positie van
de horizontale lijn.
* De beeldsensor is het onderdeel van de
camera dat fungeert als de film.
Opmerkingen
• Als het onderwerp dichterbij is dan de minimale opnameafstand van de gebruikte
lens, kan de scherpstelling niet worden bevestigd. Zorg voor voldoende afstand
tussen het onderwerp en de camera.
Scherpstelvergrendeling
1
Plaats het onderwerp binnen het
AF-gebied en druk de
ontspanknop tot halverwege in.
De scherpstelling is vergrendeld.
• Stel [Autom. scherpst.] in op
[Enkelvoudige AF].
De scherpstelling instellen
119