2
Start de videobron zodat het bronbeeld op de
videomonitor wordt weergegeven.
Deze handeling voert u uit met de knoppen op de
videoapparatuur die als bron fungeert.
Geeft aan dat er een beeld van de bronapparatuur
wordt weergegeven op het scherm.
3
Druk op de knop CAPTURE op het moment dat het
beeld dat u wilt afdrukken op het scherm verschijnt.
Het beeld wordt opgeslagen in het geheugen. Het
geheugenbeeld wordt weergegeven op het scherm.
Welk beeld hierna verschijnt (het bronbeeld of het
geheugenbeeld), hangt af van de instelling van de
functie FUNCTION SETUP van de printer. (Zie
pagina 32.)
Geeft aan dat een in het geheugen opgeslagen
beeld wordt weergegeven op de monitor.
Als het opgeslagen beeld onscherp is
Een snel bewegend beeld kan onscherp worden
opgeslagen. Treedt dit op, wijzig dan de
geheugenmodus in FIELD en druk opnieuw af.
Hoewel de onscherpte hiermee opgelost zou moeten
zijn, kan de uiteindelijke afdrukkwaliteit hierdoor iets
minder hoog zijn.
Selecteer de modus FIELD in het menu LAYOUT
SETUP. (Zie "De geheugenmodus selecteren" op
pagina 29.)
Opmerking
Over het algemeen kunt u het beste afdrukken in
FRAME-modus. (De standaardinstelling is FRAME.)
U kunt de geheugenmodus controleren onderin het
videoscherm.
Wanneer de FRAME-modus is geselecteerd:
Wanneer de FIELD-modus is geselecteerd:
Het opgeslagen beeld in het geheugen
wijzigen
1 Om het bronbeeld weer te geven wanneer het
geheugenbeeld wordt weergegeven op het
scherm, drukt u op de knop SOURCE/MEMORY.
2 Druk op de knop CAPTURE op het moment dat
het beeld dat u wilt afdrukken verschijnt.
Het vorige beeld wordt vervangen door het
nieuwe.
Afdrukken op volledig formaat
23