8.3. Instelling van de brander
Doorslaggevend voor de betrouwbaarheid
van de ketelinstallatie is onder meer de nauw-
keurige instelling van de verbrandingswaar-
den.
Door de inbouw van een eMAX warmtewisse-
laar-retrofitset krijgt u ook bij oudere installa-
ties met geelbranders, blauwe vlambranders
of gasbranders rookgaswaarden die vergelijk-
baar zijn met die van moderne verwarmings-
technieken.
Met de inbouw van de retrofitset verandert u
de drukverhoudingen in de rookgas-
installatie. Door de ventilator wordt een con-
stante onderdruk gecreëerd, die niet door de
veranderingen in de luchtdruk en de tempe-
ratuur wordt beïnvloed.
Hierdoor moeten de verbrandingswaarden
opnieuw worden ingesteld.
Hieronder vindt u enkele basisprincipes waar-
mee u de betrouwbaarheid van de installatie
en bijgevolg ook de tevredenheid van uw
klanten kunt verhogen.
Door de inbouw van de warmtewisselaar kan
de energie nog extra worden benut. Daarom
moet het vermogen van de brander worden
verlaagd.
Als vuistregel geldt dat u een één maat klei-
nere sproeier kunt gebruiken.
Uitzonderingen: Bij blauwe vlambranders
moet de ombouw op een lager vermogen
vaak met een extra inbouw van een mengsy-
steem en/of vlammenbuis worden gecombi-
eMAX warmtewisselaar GPH 50/75
neerd. In dit geval is de ombouw op financiële
redenen wellicht niet aan te raden.
Bij oudere branders is de werking met kleine
sproeiers soms problematisch. In dat geval is
de ombouw omwille van de betrouwbaarheid
van de installatie wellicht niet aan te raden.
In principe moeten de branders in staat zijn
om de grenswaarden voor de emissies te
halen. Een roetwaarde van meer dan 1 leidt in
bepaalde omstandigheden tot gevolgproble-
men aan de ketel of de warmtewisselaar en
heeft een negatieve invloed op de betrouw-
baarheid van de installatie.
Meet nauwkeurig!
Bij stookoliebranders is het nodig om de
sproeierdruk te meten. Op die manier kun-
nen bijvoorbeeld verstopte sproeiers worden
opgespoord. Noteer de waarden in het onder-
houdsprotocol op de laatste pagina.
Stel de druk van de sproeier nooit onder
10 bar in, want onder die waarde neemt de
verstuivingskwaliteit van de sproeier duidelijk
af. In dit geval wordt de op één na kleinere
sproeier ingebouwd.
Controleer ook de waakvlam met behulp van
geschikte meetapparatuur en let daarbij op
de juiste positionering van de ontstekings-
elektroden.
Bij gasbranders gaat u op dezelfde manier
tewerk als bij stookoliebranders. Verlaag het
vermogen met ongeveer 20 %, op voorwaar-
de dat dat niet ten koste van de betrouwbaar-
Door de onderdruk die door
de zuigventilator wordt
gecreëerd, is het mogelijk dat
er parasitaire lucht binnen-
dringt via niet goed afge-
dichte plaatsen aan de deur
van de ketel, het aansluitstuk
van de ketel of bij gegoten
ketels via niet goed aanslui-
tende ketelelementen. In
dit geval wordt een te lage
CO
-waarde gemeten. Maak
2
plaatsen waar de lucht kan
8.4. Aanbeveling branders
Voor de eMAX warmtewis-
selaar-
retrofitset zijn de volgende
- Blauwe vlambranders, onbegrensd
- Geelbranders van Weishaupt, Körting,
Giersch, Elco, MAN enz.
- Gasventilatorbranders, onbegrensd
Meer informatie en de recentste modellen
van branders die geschikt zijn, vindt u op
www.emax.de.
19