Defecten opsporen en verhelpen
INJECTIEGEVAAR
Om het risico van een ernstig letsel te voorkomen, moet u telkens wanneer dat wordt aangegeven de druk
ontlasten, en daarbij de Drukontlastingsprocedure volgen die staat op blz. 10.
Kijk alles in deze tabel na, voordat u het apparaat uit elkaar haalt.
PROBLEEM
Vloeistofdruk
Mechanisch
Elektrisch
OPMERKING: Ontdooi het toestel door hem naar een warme plek te verplaatsen, als er water in is opgevroren of verf op water-
basis als gevolg van de lage temperaturen. Start de spuitinstallatie pas als hij volledig is ontdooid, anders kan de
motor en/of het startmechanisme beschadigen. Als er verf hard is geworden (opgedroogd) in de spuitinstallatie,
dan moeten de pomppakkingen (blz. 22) en/of de drukoverbrenger (blz. 28) worden vervangen.
14 308747
WAARSCHUWING
Basisproblemen oplossen
WAT TE CONTROLEREN
Als alles bij de controle OK is, ga dan naar het volgende
punt
1. Controleer de stand van de drukregelingsknop. De
pomp zal niet veel druk ontwikkelen als die op de
laagste stand staat (volledig linksom gedraaid).
2. Controleer of de spuittip of het materiaalfilter verstopt
is, indien gebruikt. Zie blz. 9.
1. Controleer of er bevroren of hard geworden verf in de
pomp zit (20). Probeer met een schroevedraaier voor-
zichtig de waaier achter in de motor handmatig rond te
draaien. Zie blz. 18.
2. Kijk de pen van de verbindingsstang van de pomp (17)
na. Hij moet volledig in de verbindingsstang (15) zijn
gedrukt en de borgveer (18) moet stevig in de groef in
de verbindingsstang zitten. Zie Afb. 19 op blz. 22.
3. Kijk de motor na op schade. Verwijder het aandrijf-
huis (11). Zie blz. 25. Probeer de motorwaaier met de
hand rond te draaien.
1. Controleer de voedingsspanning met een voltmeter.
De meter moet 210–250 V wisselstroom aangeven.
2. Kijk of de verlengkabel beschadigd is. Controleer de
stekker van de verlengkabel met een voltmeter of een
testlamp.
3. Kijk of de voedingskabel (57) van het apparaat is
beschadigd, bijvoorbeeld een kapotte isolatiemantel
of kapotte draden.
4. Kijk de koolborstels van de motor op het volgende na:
a. Losse klemmenschroeven.
b. Kapotte of verkeerd zittende borstelveren.
c. De borstels zitten vast in de houders.
d. Kapotte draden.
e. Versleten borstels.
OPMERKING: De borstels slijten niet gelijkmatig aan
beide zijden van de motor. Controleer beide borstels.
WAT TE DOEN
Als iets bij de controle niet OK is, kijk dan in deze
kolom
1. Voer de druk langzaam op om te kijken of de
motor start.
2. Als de tip nog steeds is verstopt, ontlast dan de
druk; zie de afzonderlijke handleiding van het
pistool of de tip met betrekking tot de reiniging
van de tip. Reinig het filterelement of vervang
het. Zie handleiding 308429.
1. Ontdooien. Steek de stekker van het toestel in
het stopcontact en zet het aan. Voer de druk
langzaam op om te kijken of de motor start.
Als hij niet start, zie dan onderstaande
OPMERKING.
2. Druk de pen op zijn plaats en zet hem vast met
de borgveer.
3. Vervang de motor (4) als de waaier niet rond-
draait. Zie blz. 23.
1. Zet de stroomonderbreker weer goed of
vervang de zekering. Probeer een ander
stopcontact.
2. Vervang de verlengkabel.
3. Vervang de voedingskabel. Zie blz. 24.
4. Zie blz. 20.
a. Vastdraaien.
b. Kapotte veer vervangen en/of de borstel
goed plaatsen t.o.v. de veer.
c. Reinig de borstelhouders. Verwijder kool-
aanslag met een kleine schoonmaakborstel.
Laat de borsteldraden evenwijdig lopen aan
de gleuf in de borstelhouder om zeker te
zijn van een vrije verticale beweging van
de borstels.
d. Vervang de borstels.
e. Vervang de borstels als ze korter zijn dan
12,5 mm.