9
OndeRhOUd vAn UW InsULInepOMp
aan de binnenkant van de omslag).
Als de functietest foutloos is verlopen,
moet u
Ampul vervangen
Ampul en infusieset
hoofdstuk 2.5.
9.5
Reparatie van uw
insulinepomp
Voer zelf geen service of reparaties uit aan
uw insulinepomp. Gebruik ook geen
smeermiddelen voor het pompmechanisme.
Voor vragen kunt u contact opnemen met
Accu-Chek Diabetes Service van Roche (zie
de pagina achterin deze gebruiksaanwijzing
aan de binnenkant van de omslag).
9.6
Bewaren van uw
insulinepomp
w WAARsChUWIng
Als u de insulinepomp langere tijd niet
gebruikt, dient het apparaat op de juiste
manier te worden bewaard om eventuele
functioneringsproblemen later te
voorkomen.
Voor het bewaren van uw insulinepomp,
dient u deze in de STOP-modus te zetten
(zie hoofdstuk 3.2, pagina 37) en
vervolgens:
1
Verwijder de batterij.
96
in het menu
selecteren. Zie
2
Verwijder de ampul.
3
Plaats de deksel van het
batterijcompartiment.
4
Bewaar uw insulinepomp in zijn
verpakking.
Bewaarcondities
Temperatuur
Luchtvochtig-
heid
Atmosferische
druk
9.7
Afvalverwijdering
Insulinepomp
Omdat uw insulinepomp tijdens het gebruik
met bloed in contact kan komen, vormt de
insulinepomp een potentieel infectiegevaar.
De insulinepomp valt niet onder de
Europese richtlijn 2012/19/EU inzake de
afvoer van elektrische en elektronische
apparaten, WEEE. Als uw insulinepomp moet
worden weggegooid, dient u deze terug te
sturen naar Roche (zie de pagina achterin
deze gebruiksaanwijzing aan de binnenkant
van de omslag) voor een professionele
afvalverwijdering.
+5 tot +45 °C
20 tot 85 % relatieve
luchtvochtigheid
70 tot 106 kPa
(700 tot 1.060 mbar)