Spelen met een achtergrondtrack
3
Druk op de knop [L PAGE] of [1] om pagina 1 van het scherm Song Setting weer te geven.
Op deze pagina kunt u het type en nummer van een achtergrondtrack invoeren.
4
Draai aan knop 1 om het gewenste type achtergrondtrack te selecteren.
5
Als u een vooraf ingesteld drumpatroon (PreDrum) hebt gekozen, kunt u met knop 2 aangeven of u een Drum
Phrase of Drum Kit wilt gebruiken. Vervolgens kiest u het gewenste nummer van de phrase of kit met knop 3.
Als u gebruikerssong (UsrSong) of wavefile (Wave) hebt gekozen, kunt u met knop 3 het gewenste nummer van
de gebruikerssong of wavefile selecteren.
6
Met de knop [PAGE R] gaat u naar pagina 2 en 3. Met knoppen 1 t/m 3 wijzigt u parameters zoals tempo, maatsoort
en tracknaam naar wens.
OPMERKING
Als u een wavefile hebt geselecteerd dat met de CP5 of CP50 is opgenomen, laat dan de 7e en 8e positie in de filenaam
(symbolen } en { ) ongewijzigd. Als deze symbolen worden gewijzigd, wordt het afspeelvolume op de stagepiano zeer laag.
LET OP
Als u een wavefile hebt geselecteerd dat niet is opgenomen met de CP5 of CP50, voeg dan niet } en { toe op de 7e en 8e posities
van de filenaam. Doet u dit toch, dan kan het afspeelvolume zeer hoog worden (het uitgangsniveau wordt namelijk automatisch
verhoogd als deze symbolen op die positie voorkomen).
OPMERKING
Zie voor meer informatie over de parameters op deze pagina's het PDF-document met de Naslaggids.
7
Als u een vooraf ingesteld drumpatroon (PreDrum) of een wavefile (Wave) hebt ingesteld als achtergrondtrack, houd
dan de knop [TRACK] tenminste een seconde ingedrukt om het parameterinstelscherm op te roepen voor de partij
TRACK. Als u een gebruikerssong (UsrSong) hebt geselecteerd, ga dan verder naar stap 10 hieronder.
OPMERKING
U kunt naar het parameterinstelscherm gaan door de knop [EXIT/jump to edit] ingedrukt te houden en op de knop [TRACK] te
drukken.
38
Gebruikershandleiding CP5/CP50
Type
[ Beat
8
PreDrum Phrase
]
001